ECLI:NL:RBDHA:2025:24310

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
NL25.45389 en NL25.45390
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Pakistaanse eiser wegens ongeloofwaardige identiteit en bekering

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag wordt het beroep van een Pakistaanse eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag behandeld. Eiser, die op 31 augustus 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indiende, kreeg op 15 september 2025 te horen dat zijn aanvraag als kennelijk ongegrond was afgewezen. De rechtbank beoordeelt zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser stelt dat hij problemen ondervindt door zijn bekering van de soennitische naar de sjiitische islam, maar de rechtbank oordeelt dat verweerder de identiteit en de bekering van eiser niet geloofwaardig heeft kunnen achten. De rechtbank concludeert dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd om zijn identiteit te onderbouwen en dat zijn verklaringen over zijn bekering niet samenhangend zijn. De rechtbank wijst het beroep van eiser af, waardoor de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Tevens wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.45389 (beroep) en NL25.45390 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. de Graaf).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 31 augustus 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 15 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond [1] . Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De aangevraagde tolk was onverwachts niet beschikbaar.
1.3.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting niet gesloten om eiser in de gelegenheid te stellen binnen een week na de zitting schriftelijk opmerkingen in te dienen.
1.4.
Eiser heeft op 6 november 2025 schriftelijk ingediend wat hij nog naar voren wilde brengen en heeft daarbij een document (vertaling van een aangifte) gevoegd.
1.5.
Verweerder heeft hier op 25 november 2025 schriftelijk op gereageerd.
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek op 25 november 2025 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997. Hij heeft – kort samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Hij is opgegroeid als soennitische moslim. Sinds hij vier jaar geleden bekeerd is tot het sjiisme heeft hij problemen ondervonden met zijn dorpsgenoten. Hij is door hen geslagen en zij hebben hem één keer in het kanaal gegooid. Bij terugkeer naar Pakistan vreest eiser voor de dorpsgenoten.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst; en
bekering en de daaruit voortvloeiende problemen.
3.1.
Verweerder vindt eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Dat eiser bekeerd is tot het sjiisme en daardoor problemen ervaart vindt verweerder ook niet geloofwaardig. Eiser heeft volgens verweerder onvoldoende documenten overgelegd die zijn identiteit onderbouwen en hij heeft daar geen goede verklaring voor. [2] Verder vormen de verklaringen van eiser over zijn bekering en de problemen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel. [3] Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief een vrees voor vervolging heeft [4] of een reëel risico op ernstige schade loopt [5] bij terugkeer naar Pakistan. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of weggemaakt [6] . Verweerder heeft aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. [7]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert primair aan dat hij met de inmiddels overgelegde originele en echt bevonden documenten, te weten een uittreksel geboorteregister, een identiteitsbewijs voor minderjarigen en overige bescheiden onderwijs, zijn identiteit heeft aangetoond en ook de aangifte heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn relaas. Hiermee heeft hij voldaan aan stap 2A van Werkinstructie (WI) 2024/6 en had verweerder de asielmotieven als geloofwaardig moeten beoordelen. Subsidiair stelt hij dat er geen integrale geloofswaardigheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden en er te veel nadruk ligt op het overleggen van documenten. Dat is in strijd met het Unierecht. Ten aanzien van de inhoudelijke geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verweerder de bekering en de daaruit voortvloeiende problemen ten onrechte niet geloofwaardig gevonden. Er is onvoldoende rekening gehouden met eisers referentiekader. Eiser is laaggeletterd en beheerst het Urdu beperkt. Verweerder heeft ook ten onrechte tegengeworpen dat eiser zijn persoonlijke beleving niet voldoende heeft toegelicht. Hij heeft duidelijk verklaard over zijn overtuiging tot en het proces van bekering. Dat eiser nog weinig contact had met sjiitische vrienden verklaart dat hij weinig kennis had over de wijze van praktiseren. Verweerder miskent verder dat eiser in de correcties en aanvullingen al heeft aangegeven dat hij niet eerder dan na de problemen met de dorpsgenoten heeft verteld over de bekering. Dat eiser, ondanks het verzoek van zijn familie, weigert terug te bekeren bekent niet dat hij zijn familie niet langer op de eerste plek zet. Verweerder ziet dat verkeerd. Eiser voert verder aan dat, nu hij ook het origineel van de aangifte heeft overgelegd, verweerder niet langer kan tegenwerpen dat aan dit document geen bewijswaarde toekomt omdat het niet op echtheid gecontroleerd kon worden. Eiser vindt dat hij vanwege zijn bekering tot het sjiisme een gegronde vrees heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op ernstige schade. Tot slot had verweerder de aanvraag niet als kennelijk ongegrond mogen afwijzen omdat hij zijn paspoort gedwongen heeft afgegeven en dit niet aan hem te verwijten is. Deze individuele omstandigheden heeft verweerder ook onvoldoende betrokken bij de oplegging van het inreisverbod.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
De geloofwaardigheidsbeoordeling in het algemeen
6. Eiser voert aan dat verweerder, door alleen documenten toe te laten als bewijsmateriaal om te bezien of de verklaringen door eiser voldoende zijn gestaafd, geen rekening houdt met de omstandigheid dat niet alle feiten en omstandigheden en niet alle asielmotieven met documenten te staven zijn. De omstandigheid dat in een acute vluchtsituatie van eiser niet kan worden verlangd eerst documenten te verkrijgen, is volgens eiser onvoldoende betrokken. Eiser verwijst hierbij naar de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, op 18 februari 2025 heeft gesteld [8] . Eiser komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat verweerder geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt.
6.1.
De rechtbank ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd ten aanzien van de geloofwaardigheidsbeoordeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door verweerder gehanteerde werkwijze onzorgvuldig is en in strijd is met het Unierecht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft onderbouwd welke documenten en verklaringen volgens hem niet of onvoldoende bij de beoordeling zouden zijn betrokken. Ook blijkt in het geval van eiser niet dat verweerder het asielmotief alleen ongeloofwaardig vindt omdat hij geen objectieve documenten heeft overgelegd. Verweerder heeft namelijk gekeken naar de verklaringen van eiser, is vervolgens overgegaan tot een geloofwaardigheidsbeoordeling en heeft getoetst aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw (stap 2b). Omdat in dit geval niet aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw wordt voldaan, heeft verweerder de asielmotieven niet geloofwaardig gevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar anders over te denken door de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond heeft gesteld. Dat verweerder niet de waarde toekent aan de overgelegde documenten die eiser daaraan wenst toe te kennen, betekent niet dat de documenten niet zijn betrokken.
Mocht verweerder de identiteit van eiser ongeloofwaardig vinden?
7. De rechtbank is met betrekking tot de inhoudelijke geloofwaardigheidsbeoordeling van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers identiteit niet geloofwaardig is. Verweerder heeft mogen vinden dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn identiteit te onderbouwen en dat hij daar geen goede reden voor heeft. Daarbij heeft verweerder van belang mogen vinden dat eiser een paspoort had maar dit zelf heeft afgegeven en hij nadien zijn reisagent niet heeft gevraagd het terug te krijgen [9] . Dat eiser in beroep aanvoert dat hij verwacht had dat hij zijn paspoort terug zou krijgen en dat hij zonder zijn eigen paspoort af te geven het valse paspoort ten behoeve van de reis niet zou krijgen, maakt het oordeel ook niet anders. Hij heeft immers verklaard dat hij zijn eigen paspoort niet terug wilde hebben omdat hij al binnen was [10] . Verder heeft verweerder mogen betrekken dat de door eiser overgelegde documenten geen identificerende documenten zijn.
Mocht verweerder de bekering en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig vinden?
8. Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers bekering en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig heeft mogen vinden. De stelling van eiser in beroep dat hij zijn bekering en de problemen volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd heeft verweerder niet hoeven volgen nu de aangifte slechts een kopie betreft waardoor deze niet op echtheid kan worden onderzocht en de inhoud de subjectieve verklaringen van eiser betreft. Verweerder heeft daarom aan dit document beperkte bewijswaarde mogen toekennen waardoor eiser het asielmotief niet volledig met documenten heeft onderbouwd en verweerder naar de verklaringen van eiser heeft gekeken.
9. Verweerder heeft mogen vinden dat eisers verklaringen over de bekering en de daaruit voortvloeiende problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
9.1.
Voor zover eiser aanvoert dat verweerder ten onrechte van hem verlangt dat hij meer diepgaande informatie verstrekt over zijn nieuwe geloof, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Verweerder heeft van eiser mogen verwachten dat hij, ondanks zijn gestelde laaggeletterdheid en beperkte scholing, vanuit zijn eigen perspectief concreet en diepgaander kan verklaren over zijn persoonlijke beleving van zijn bekering, zeker nu het de kern van zijn asielrelaas raakt. Verweerder heeft mogen vinden dat eisers verklaringen oppervlakkig zijn en onvoldoende inzicht bieden in zijn innerlijke overtuiging of geloofsbeleving. Los daarvan blijkt uit het medisch advies niet dat eiser laaggeletterd is en wat de invloed daarvan is op zijn capaciteit om te verklaren. Dit heeft hij ook niet met andere documenten aangetoond.
9.2.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat van iemand die jarenlang de soennitische stroming heeft aangehangen en zich vervolgens bekeerd heeft tot het sjiisme, verwacht mag worden dat hij meer kan vertellen over de verschillen tussen beide stromingen. Dat eiser stelt dat hij nog maar weinig contact met sjiitische vrienden had, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Eiser volgt immers al vier jaar lang het sjiisme en hij had informatie over het sjiisme tot zijn beschikking nu hij gesteld heeft dat hij veel boeken over het sjiisme heeft gelezen en van vrienden die sjiitisch waren veel heeft geleerd over de stroming.
9.3.
Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat het bevreemdend is dat hij, ondanks het verzoek van zijn familie, weigert terug te bekeren, terwijl het plaatsen van familie op de eerste plek voor eiser de reden voor zijn bekering is geweest. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Dat verweerder uit eisers verklaring dat familie de enige reden was voor zijn bekering de conclusie heeft getrokken dat het opmerkelijk is dat hij niet is terug bekeerd, kan de rechtbank, net als eiser, niet volgen. Wel volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over hoe zijn familie op zijn bekering heeft gereageerd en hoe dat voor hem voelde. Dat eiser verklaart dat zijn familie met hem in gesprek ging en hij het niet leuk vond dat zij niet achter zijn bekering stonden [11] , heeft verweerder ontoereikend mogen vinden.
9.4.
Gelet op dat wat is overwogen in rechtsoverweging 8. mocht verweerder ook vinden dat de waarde van de vertaling van de kopie van de aangifte niet opweegt tegen al wat verweerder aan eiser heeft tegengeworpen in het kader van de geloofwaardigheid van dit asielmotief.
Mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade?
10. Zoals overwogen in rechtsoverwegingen 7. tot en met 9.4. heeft verweerder eisers identiteit en de bekering en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig mogen vinden. Verweerder heeft dan ook kunnen stellen dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade [12] vanwege zijn identiteit en zijn bekering. De gronden van eiser die zien op deze asielmotieven slagen daarom al niet.
11. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser bij terugkeer ook geen gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade, vanwege zijn nationaliteit of herkomst. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser geen persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat hij vanwege het feit dat hij uit Pakistan komt een hoger risico loopt op vervolging of ernstige schade.
Mocht verweerder de asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij zich heeft ontdaan van een identiteits- of reisdocument. Eiser heeft zijn nationale paspoort niet overgelegd. Hij heeft verklaard dit te hebben afgegeven aan de reisagent en zijn handlangers [13] . Dat eiser stelt dat hij geen weerstand kon bieden aan de reisagent gelet op zijn lage opleidingsniveau, volgt de rechtbank niet nu eiser zijn paspoort zelf heeft afgegeven en hij nadien zijn reisagent niet heeft gevraagd het terug te krijgen [14] . Ook het standpunt van eiser dat hij verwacht had dat hij zijn paspoort terug zou krijgen en zonder zijn paspoort af te geven het valse paspoort niet zou krijgen, maakt het oordeel ook niet anders zoals in rechtsoverweging 7. al is overwogen. Verweerder heeft de aanvraag daarom mogen afwijzen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.

Conclusie en gevolgen

13. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
14. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen
van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.
2.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw.
3.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw.
4.Op grond van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
5.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
6.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.
7.Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
9.Verslag van het aanmeldgehoor van 3 september 2025, p. 5.
10.Idem, p. 5.
11.Verslag van het nader gehoor van 10 september 2025, p. 18-19.
12.Als bedoeld in de artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
13.Verslag van het aanmeldgehoor, p. 4.
14.Idem, p. 5.