ECLI:NL:RBDHA:2025:24312

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
NL25.46070
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een Congolese burger wegens onvoldoende bewijs van vervolging en risico bij terugkeer

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van eiser, een burger van de Democratische Republiek Congo (DRC), tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser had op 16 mei 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, maar deze werd op 17 september 2025 door de minister van Asiel en Migratie afgewezen als ongegrond. De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de verweerder. Eiser heeft aangevoerd dat hij in de DRC is beschuldigd van hekserij, wat heeft geleid tot verstoting door zijn familie en bedreigingen. Hij vreest bij terugkeer voor onmenselijke behandeling en verstoting door de maatschappij.

De rechtbank oordeelt dat de asielmotieven van eiser, hoewel geloofwaardig, niet voldoende zijn om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar de DRC. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft aangetoond dat de beschuldigingen van hekserij nog steeds een actuele dreiging vormen. Bovendien heeft hij geen bewijs geleverd dat zijn psychische gesteldheid een risico op onmenselijke behandeling met zich meebrengt. De rechtbank concludeert dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond, en het beroep van eiser wordt verworpen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46070

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. de Graaf).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 16 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 17 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond [1] . Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk is verschenen P. Duijvekam.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is burger van de Democratische Republiek Congo (DRC) en is geboren op [geboortedatum] 1991. Hij heeft – kort samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is in zijn jeugd beschuldigd van hekserij waardoor hij door zijn familie is verstoten en hij is bedreigd levend te worden verbrand. In de DRC heeft hij op straat geleefd en heeft hij op 21-jarige leeftijd enige tijd in een weeshuis gewoond. Tijdens zijn bacheloropleiding aan de universiteit werd hij uitgestoten omdat men op de hoogte was van de beschuldigingen. In 2020 is eiser naar Nederland gekomen als kennismigrant. Bij terugkeer vreest eiser voor verstoting door de maatschappij en de onmenselijke behandeling vanwege zijn beschuldigingen van hekserij. Ook vreest hij vanwege de economische onzekerheid.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit het volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst; en
problemen vanwege beschuldigingen van hekserij.
3.1.
Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig. Echter vindt verweerder dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging omdat de asielmotieven geen raakvlakken hebben met één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag [2] . Ook heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt [3] bij terugkeer naar de DRC. Verweerder vindt dat er geen sprake is van dusdanige beperking van zijn bestaansmogelijkheden dat het onmogelijk was voor eiser om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst verzoekt hij om dat wat hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer, anders dan verweerder stelt, wel een gegronde vrees heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op ernstige schade. Sinds zijn jeugd wordt hij beschouwd als een heks, waardoor hij is verstoten, bedreigd en zonder bescherming is gebleven. De autoriteiten kunnen of willen geen bescherming bieden. Het geloof in hekserij is namelijk diepgeworteld in de samenleving, ook onder de autoriteiten. Volgens eiser moet de beschuldiging van hekserij worden gezien als het hebben van een afwijkende geloofsovertuiging. Daarnaast vreest eiser bij terugkeer extra risico vanwege zijn verwesterde achtergrond. Ook wijst hij op zijn psychische kwetsbaarheid en het risico op psychische decompensatie en suïcide bij uitzetting, zodat terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Ter onderbouwing van zijn psychische gesteldheid heeft eiser voorafgaand aan de zitting zijn recente doorverwijzing naar de GGZ en zijn GZA-dossier toegevoegd. Ter zitting heeft eiser primair verzocht om de zaak aan te houden in afwachting van zijn verdere medische behandeling, zodat de informatie van de behandelaar kan worden betrokken. Verder stelt eiser dat hij in Nederland privéleven [4] heeft opgebouwd. Tot slot is de algemene veiligheidssituatie in de DRC inmiddels verder verslechterd, waardoor het risico op ernstige schade bij terugkeer is toegenomen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser primair verzocht om aanhouding in afwachting van het rapport van een medisch behandelaar. Op 5 november 2025 heeft de rechtbank het verzoek om aanhouding afgewezen omdat uit de door eiser overgelegde stukken van 28 oktober 2025 en eisers toelichting ter zitting blijkt dat er nog geen medische behandeling is gestart en er ook geen duidelijkheid is over of en wanneer eiser met een dergelijke behandeling zou starten.
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
7. De rechtbank overweegt allereerst dat door het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht, zij niet kan afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Het enkel verwijzen naar argumenten in de zienswijze kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot de bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.
8. De rechtbank overweegt verder dat de beroepsgronden van eiser grotendeels overeenkomen met dat wat hij reeds in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Verweerder is in het bestreden besluit op die punten ingegaan. In beroep heeft eiser geen nieuwe of nadere feiten, omstandigheden of stukken aangedragen die naar het oordeel van de rechtbank aanleiding geven voor een ander oordeel. De rechtbank overweegt daarbij als volgt.
Mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade?
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar de DRC geen gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade.
Problemen vanwege beschuldigingen van hekserij
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen vinden dat eiser, hoewel geloofwaardig is gevonden dat hij in het verleden problemen heeft gehad vanwege de beschuldigingen van hekserij, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daardoor een risico loopt bij terugkeer. Eiser heeft immers niet met zijn verklaringen of documenten onderbouwd dat die eerdere beschuldigingen nog steeds een actuele dreiging vormen of dat hij bij terugkeer opnieuw zal worden geconfronteerd met geweld of uitsluiting. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser tot aan zijn vertrek in 2020 zijn bacheloropleiding heeft kunnen afronden en geen recente bedreigingen of incidenten heeft genoemd. Dat in de DRC in algemene zin geloof wordt gehecht aan hekserij heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om een persoonlijk risico aan te nemen.
9.2.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ook mogen vinden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beschuldiging van hekserij gelijkstaat aan vervolging wegens geloofsovertuiging. Dat hekserij als een bovennatuurlijk verschijnsel wordt beschouwd, maakt nog niet dat eiser om die reden een vervolgd persoon is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Dit heeft verweerder in het besluit nader toegelicht. Uit wat eiser in beroep aanvoert blijkt niet waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit op dit punt onjuist is, zodat de beroepsgrond niet kan slagen. Bovendien heeft hij in beroep geen concrete aanwijzingen gegeven dat hij wegens deze beschuldiging wordt gezocht of systematisch wordt vervolgd.
Verstoting en bestaansmogelijkheden
9.3.
Verder heeft verweerder mogen vinden dat eiser, ondanks de moeilijke omstandigheden, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zodanig ernstig in zijn bestaansmogelijkheden is beperkt dat sprake is van vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Dat eiser in het verleden problemen heeft ondervonden met het vinden van werk en dat hij zich sociaal afgewezen voelde, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat hij in de DRC geen menswaardig bestaan kan opbouwen. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser een opleiding heeft voltooid, tot volwassen leeftijd opvang heeft gehad en niet heeft aangetoond dat hij bij terugkeer opnieuw uitsluitend op een weeshuis zou zijn aangewezen.
Verwestering
9.4.
Ook ten aanzien van de gestelde verwestering heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daardoor een reëel risico loopt bij terugkeer of dat dit tot vervolging zal leiden. Eiser stelt dat hij als hij terugkeert vanuit Europa wordt gezien als een verwesterd iemand. Dit standpunt heeft hij echter niet nader toegelicht en daarbij ook niet onderbouwd door wie en om welke reden hij als verwesterd zou worden gezien en wat daarvan de gevolgen zouden zijn. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Psychische gesteldheid en 3 EVRM
9.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiser gestelde psychische klachten geen grond vormen voor bescherming op basis van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft ter zitting erkend dat eiser te kampen heeft met psychische problemen. Echter bevatten de door eiser overgelegde stukken onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat sprake is van een zodanige psychische kwetsbaarheid dat uitzetting zal leiden tot een reëel risico op een onmenselijke behandeling. Een suïciderisico is immers niet vastgesteld, een medische behandeling is nog niet gestart en er is ook geen duidelijkheid over of en wanneer eiser met een dergelijke behandeling zou starten. De overgelegde medische stukken van 28 oktober 2025 leiden niet tot een ander oordeel.
Algemene veiligheidssituatie in de DRC
9.6.
Tot slot heeft verweerder mogen tegenwerpen dat de verslechterde humanitaire situatie in de DRC niet maakt dat eiser persoonlijk een reëel risico loopt op ernstige schade. De enkele verwijzing naar de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 20 maart 2025 is daartoe onvoldoende nu eiser niet heeft geïndividualiseerd hoe dit op zijn specifieke situatie van toepassing is.
Mocht verweerder de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM achterwege laten?
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM hoeven maken omdat eiser niet binnen zes maanden na aankomst in Nederland asiel heeft aangevraagd. Dit volgt uit artikel 3.6a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Conclusie en gevolgen
11. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
3.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
4.In het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).