ECLI:NL:RBDHA:2025:24323

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
NL24.16857
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArtikel 64 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herbeoordeling asielaanvraag LHBTI-persoon uit Rusland wegens onvoldoende motivering en actuele landeninformatie

Eiser, een Russische LHBTI-persoon, diende op 6 juni 2022 een asielaanvraag in uit vrees voor discriminatie, vervolging en militaire dienstplicht. Verweerder wees de aanvraag op 29 maart 2024 af, stellende dat de incidenten niet zwaarwegend genoeg waren en dat eiser geen reëel risico liep.

Eiser stelde beroep in en overhandigde nieuwe informatie, waaronder een thematisch ambtsbericht van februari 2025 en medische verklaringen, waaruit blijkt dat de situatie voor LHBTI's in Rusland sterk is verslechterd sinds een uitspraak van het Russische Hooggerechtshof in november 2023. Verweerder heeft deze nieuwe informatie niet betrokken in zijn beoordeling.

De rechtbank oordeelt dat verweerder de zwaarwegendheidsbeoordeling opnieuw moet verrichten en daarbij de persoonlijke omstandigheden van eiser, zijn psychische problemen en de actuele landeninformatie deugdelijk moet meenemen. Het beroep is gegrond, het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder krijgt zes weken voor een nieuw besluit. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16857

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Hol),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Ludwig).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft in de beoordeling van de zwaarwegendheid nagelaten om aan de hand van beschikbare landeninformatie een geactualiseerde beoordeling van de vrees voor vervolging te maken
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 6 juni 2022 een asielaanvraag ingediend. Hij heeft de Russische nationaliteit en is geboren op [datum] 1995. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 29 maart 2024 de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
2.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, A.M.J. de Wit als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft Rusland verlaten omdat hij vreest voor discriminatie en vernedering vanwege zijn homoseksualiteit en a-genderidentiteit. Daarnaast vreest eiser dat hij opgeroepen zal worden voor de dienstplicht.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. ( seksuele) gerichtheid en a-genderidentiteit;
3. problemen wegens seksuele gerichtheid.
4.1
Verweerder heeft alle elementen geloofwaardig, maar niet zwaarwegend geacht, omdat eiser vanwege de discriminatie niet zo ernstig is beperkt dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren. Uit zijn verklaringen blijkt volgens verweerder dat eiser vijf of zes homofobe incidenten in de vijf jaar voorafgaand aan zijn asielaanvraag bij verschillende werkgevers heeft meegemaakt, maar dat deze incidenten niet hebben geleid tot blijvende problemen. Ook het incident in het park waarbij een man vervelende homofobe opmerkingen richting eiser uitte, is volgens verweerder niet zwaarwegend genoeg. Verder blijkt uit eisers verklaringen niet dat hij in de negatieve aandacht staat van de Russische autoriteiten of dat zij naar hem op zoek zijn. Hierbij is volgens verweerder van belang dat eiser heeft verklaard dat het onwaarschijnlijk is dat de Russische autoriteiten erachter kunnen komen dat eiser bij de Russische lhbti organisatie ‘de Regenboogwereld’ was betrokken. Ook is van belang dat eiser zich in Nederland op dezelfde manier gedraagt zoals hij in Rusland heeft gedaan, waaruit niet blijkt dat hij zijn seksuele gerichtheid wil uiten op een wijze die verder gaat dan de ondergrens van vrees voor vervolging op grond van het Vluchtelingenverdrag. Daarnaast heeft eiser zijn vrees voor de militaire dienstplicht bij terugkeer niet aannemelijk gemaakt. Eiser is (nog) niet opgeroepen en een eventuele toekomstige dienstweigering leidt niet tot gegronde vrees. Hierbij is van belang dat eiser geen oproepbrief heeft gekregen en de leeftijd van 27 jaar in 2023 is gepasseerd en daarom ook op basis van verhoogde dienstplichtleeftijd niet meer in aanmerking komt voor de dienstplicht. Ook blijkt uit eisers militaire boekje dat hij is ingedeeld in de categorie 'V', wat betekent dat eiser als 'beperkt geschikt' is aangemerkt, maar nog wel oproepbaar is bij een mobilisatie. Volgens verweerder is dat sinds oktober 2022 niet meer gebeurd.
4.2
In het besluit van 30 mei 2025 legt verweerder eiser een terugkeerbesluit op.
Heeft verweerder eisers problemen wegens zijn seksuele gerichtheid en a-genderidentiteit onvoldoende zwaarwegend kunnen vinden?
5. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar de Russische Federatie onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied zal kunnen functioneren. Hij loopt een ernstig risico op vervolging op grond van zijn seksuele geaardheid en genderidentiteit. Ter onderbouwing legt eiser informatie over, zoals een artikel over van Human Rights Watch van 15 februari 2024 [1] , waarin staat dat als gevolg van een uitspraak van het Russische Hooggerechtshof lhbti-organisaties in Rusland zichzelf hebben opgeheven uit angst om vervolgd te worden. Ook blijkt volgens eiser uit dit artikel dat de politie bij nachtclubs voor lhbti invallen heeft gedaan. Verder heeft eiser een crisisbrief van de GGD Drenthe van 27 februari 2025 overgelegd, waaruit blijkt dat eiser een poging tot zelfdoding heeft gedaan. Eiser heeft hierover ook een brief intake en behandelbeleid van een psychiater van 28 februari 2025 overgelegd. Verder heeft eiser zelf een ongedateerde verklaring overgelegd over zijn leven in Perm, een e-mail van 26 juni 2025 aan zijn gemachtigde over zijn mentale welzijn en zijn vrees voor militaire dienst. Ook heeft hij de Update 2025 van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN), nr. 8, dat ingaat op het Thematisch Ambtsbericht Russische Federatie, februari 2025 overgelegd. Uit deze landeninformatie blijkt dat de bewegingsruimte van lhbti in Rusland steeds kleiner wordt. Eiser heeft verder nog een onderzoekrapport van 4 juli 2025 overgelegd van klinisch psycholoog [naam] uit Moskou, een artikel uit de Volkskrant van 25 juli 2025 [2] en door een computer vertaalde berichten van Russische social media over de vervolging van lhbti-ers. Tenslotte heeft eiser nog een rapport van LGBT Asylum Support overgelegd gedateerd op 12 augustus 2025. Verweerder had deze informatie, waaruit blijkt dat de situatie in Rusland verder is verslechterd sinds de uitspraak van het Russische Hooggerechtshof moeten betrekken bij de beoordeling van de zwaarwegendheid van eisers vrees voor vervolging.
5.1
Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze door eiser overgelegde stukken de beoordeling niet veranderen. De door eiser overgelegde medische informatie wordt betrokken bij de procedure op grond artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De stukken die eiser heeft overgelegd over het leven als lhbti, de militaire dienstplicht in Rusland en zijn psychische problematiek bevatten geen nieuwe informatie die de beoordeling anders maakt. De informatie die eiser over zijn leven in Perm heeft overgelegd is reeds naar voren gekomen in de gehoren. Ook de militaire dienstplicht is in de gehoren besproken. Uit de Update van VWN [3] blijkt verder nog dat een lhbti-geaardheid hebben niet strafbaar is. Verweerder blijft bij zijn standpunt dat de persoonlijke problemen van eiser niet zodanig zijn dat hij bij terugkeer een risico loopt op vervolging vanwege zijn geaardheid.
5.2
De rechtbank stelt voorop dat in hoofdstuk 2 getiteld LHBTIQ+ van het thematisch ambtsbericht van 14 februari 2025 [4] , staat dat de verslagperiode werd gekenmerkt door verdere staatsrepressie, toenemende haat vanuit de samenleving en een afnemende ruimte om zich te uiten en als gemeenschap te organiseren. Verder staat in dit hoofdstuk dat het Russische Hooggerechtshof op 30 november 2023 oordeelde dat de ‘internationale LHBT-beweging’ aangemerkt wordt als ‘extremistische organisatie’. De regenboog wordt gezien als een extremistisch symbool en is sindsdien verboden. Hoewel het hebben van een lhbtiq+- geaardheid of identiteit volgens de wet niet strafbaar is, wordt de wet door de Russische autoriteiten op arbitraire wijze toegepast. In paragraaf 2.2.4 wordt uitgelegd wat de gevolgen zijn van deze uitspraak en dat de lhbti+-gemeenschap in toenemende mate zelfcensuur toepassen. Alleen door buiten de publiciteit te opereren, konden lhbtiq+-organisaties de gemeenschap nog (psychische) hulp bieden. In paragraaf 2.4 staat verder te lezen dat de verwachting is dat lhtbi-personen als gevolg van de strafbaarstelling nog vaker slachtoffer zullen worden van geweldsmisdrijven en dat psychische en medische zorg aan deze groep nauwelijks mogelijk is, hooguit buiten het zicht van de autoriteiten.
5.2.1
De rechtbank stelt vast dat verweerder de door eiser overgelegde algemene informatie, waaronder het thematisch ambtsbericht van 14 februari 2025, niet kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat uit deze informatie blijkt dat de situatie in Rusland voor lhbti ernstig is verslechterd sinds de uitspraak van het Russische Hooggerechtshof van 30 november 2023. De rechtbank constateert dat deze Russische uitspraak is gewezen na het aanvullend gehoor van eiser op 30 oktober 2023. In de beroepsgronden van 22 april 2024 geeft eiser aan dat de organisatie ‘De Regenboogwereld’ zichzelf heeft opgeheven, uit vrees voor vervolging door de Russische autoriteiten. Dit sluit aan bij de informatie uit het thematisch ambtsbericht, februari 2025 zoals onder 5.2 is weergegeven. Omdat verweerder de voorgenoemde landeninformatie niet kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken, ontbreekt een actuele beoordeling van de vrees. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat in de ambtsberichten [5] staat dat sinds de verdergaande strafbaarstelling van de ‘internationale LHBT-beweging’, lhbti-personen niet alleen al vanwege hun seksuele gerichtheid en/of genderidentiteit strafbaar zijn gesteld, volgt de rechtbank dat niet, omdat in deze ambtsberichten ook staat dat deze verdergaande strafbaarstelling door de bevolking wordt gezien als legitimatie voor discriminatie, intimidatie en geweld en leidt tot verdere marginalisering van de gemeenschap.
5.2.2
De rechtbank overweegt verder dat verweerder de persoonlijke omstandigheden van eiser niet deugdelijk gemotiveerd bij zijn beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten om – in onderlinge samenhang – te beoordelen wat het uiterlijk en het gedrag van eiser bij anderen oproept. [6] Uit de verklaringen van eiser zelf blijkt eenduidig dat er iets aan hem is wat de aandacht trekt en dat dit heeft geleid tot discriminatie en uitsluiting. Weliswaar heeft eiser in Rusland destijds geen fysiek geweld ondervonden. Maar dat betekent niet dat eiser nu bij terugkeer geen (fysieke) problemen zal ondervinden. De situatie in Rusland voor lhbti is, zoals hier overwogen, immers sindsdien sterk verslechterd. Ook de wens van eiser om zich te uiten is veranderd. In dit kader is van belang dat uit het arrest X, Y, en Z. van 7 november 2013 van het Hof [7] volgt dat van een lhtbi asielzoeker niet verwacht mag worden dat hij zijn homoseksualiteit in het land van herkomst geheim houdt of zich bij de invulling van zijn seksuele gerichtheid terughoudend opstelt. Verweerder heeft ten onrechte niet meegewogen dat de terughoudendheid van eiser was ingegeven door de omstandigheden waarin hij is opgegroeid en dat hij daarin een ontwikkeling heeft doorgemaakt.
5.3
De rechtbank concludeert dat verweerder de zwaarwegendheidsbeoordeling opnieuw moet verrichten. Verweerder dient daarbij de verklaringen van eiser over de reactie van de buitenwereld op zijn voorkomen en de psychische problemen als gevolg daarvan, de ontwikkeling van zijn seksuele geaardheid en a-genderidentiteit deugdelijk gemotiveerd te betrekken in het licht van actuele landeninformatie. Het beroep is reeds hierom gegrond en de overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
6. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Dit staat in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat verweerder een nieuwe beoordeling van de zwaarwegendheid moet maken.
6.1
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor 6 weken.
6.2
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 29 maart 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.HRW. Russia: ‘First Convictions Under LGBT ‘Extremist’ Ruling. Thousands More at Risk After Top Court’s Decision.’
2.Bert Lanting. ‘Op krukken of in een rolstoel naar het front.’
3.UPdate, nr. 8, jaargang 31, p. 16 t/m 27.
4.Thematisch ambtsbericht Russische Federatie. Militaire dienstplicht en mobilisatie, LHBTIQ+, critici en opposanten, 14 februari 2025.
5.Algemeen Ambtsbericht Russische Federatie, maart 2023, paragraaf 3.2.5. en het Thematisch Ambtsbericht Russische Federatie. Militaire dienstplicht en mobilisatie, LHBTIQ+, critici en opposanten, 14 februari 2025.
6.Vergelijk met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch van 14 april 2017, AWB 17/1809.
7.Arrest van het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie, in de gevoegde zaken C-199/12 tot en met C-201/12, X, Y en Z tegen (de rechtsvoorganger van) verweerder, ECLI:EU:C:2013:720.