ECLI:NL:RBDHA:2025:24327

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
NL25.30558 en NL25.30559
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van een Afghaanse eiser met problemen door Taliban en afwijzing door de minister van Asiel en Migratie

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. Eiser, geboren in Afghanistan, heeft op 3 januari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 8 juli 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond, met de stelling dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn identiteit en de problemen die hij zegt te ondervinden van de Taliban. Eiser heeft echter dreigbrieven overgelegd en stelt dat hij vreest voor vervolging bij terugkeer naar Afghanistan. Tijdens de zitting op 13 november 2025 was de minister niet aanwezig, wat de rechtbank ertoe bracht te concluderen dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd waarom de problemen van eiser met de Taliban niet geloofwaardig zijn. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de ingediende stukken van eiser. Tevens worden de proceskosten van eiser vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.30558 (beroep) en NL25.30559 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 3 januari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 8 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser voorafgaand aan de zitting een vertaling van zijn tazkera en twee dreigbrieven inclusief vertaling ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, vanwege capaciteitsproblemen niet verschenen. Als tolk is verschenen S.T. Shah.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser stelt op [geboortedatum 1] 2000 te zijn geboren, de Afghaanse nationaliteit te hebben en tot de Pashtun bevolkingsgroep te horen. Hij heeft – kort samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser werkte van 2014 tot 2018 samen met zijn oom voor de Amerikanen op een vliegveld in Afghanistan. Hij was in de leer bij zijn oom als timmerman en verrichtte ook andere klussen op de vliegbasis. In die periode is eisers oom meerdere keren bedreigd door de Taliban. Na de machtsovername hebben de Taliban eisers oom vermoord vanwege diens werkzaamheden op het Amerikaanse vliegveld. Eiser heeft daarop Afghanistan verlaten omdat hij vreesde dat de Taliban hem ook zouden doden. Na zijn vertrek hebben mensen bij eisers broer naar hem gevraagd. Eiser vermoedt dat deze mensen van de Taliban waren of voor de Taliban werkten. Bij terugkeer naar Afghanistan vreest eiser door de Taliban gedood te worden.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst; en
problemen met de Taliban vanwege zijn werk bij de Amerikaanse troepenmacht.
3.1.
Verweerder vindt eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Dat eiser problemen heeft met de Taliban vanwege zijn werkzaamheden bij de Amerikaanse troepenmacht vindt verweerder ook niet geloofwaardig. Eiser heeft volgens verweerder onvoldoende documenten overgelegd die zijn identiteit en zijn gestelde problemen onderbouwen en hij heeft daar geen goede verklaring voor. [1] Ook vormen de verklaringen van eiser over zijn identiteit en de problemen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel. [2] Ten aanzien van het eerste asielmotief vindt verweerder dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd omdat hij een alias heeft opgegeven. [3] Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief een vrees voor vervolging heeft [4] of een reëel risico op ernstige schade loopt [5] bij terugkeer naar Afghanistan. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit [6] . Verweerder heeft aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. [7]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst verzoekt hij om dat wat hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser voert aan dat verweerder niet had mogen tegenwerpen dat zijn verklaringen over zijn identiteit wisselend waren. Verweerder heeft in dat kader onvoldoende rekening gehouden met eisers referentiekader en heeft de verantwoordelijkheid voor een onjuiste registratie van zijn personalia onterecht volledig bij eiser gelegd. Ook heeft verweerder ten onrechte een negatieve conclusie getrokken ten aanzien van het overgelegde Certificate of Appreciation (hierna: certificaat). Nu er geen oordeel gegeven kan worden over de echtheid had verweerder een neutrale duiding moeten afgeven. Bovendien is het gezien de situatie in Afghanistan verklaarbaar dat eiser slechts een kopie van het certificaat heeft overgelegd. In het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden zijn verklaarbaar vanwege eisers trauma, zijn analfabetisme en de culturele verschillen. Daarnaast stelt eiser dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan eisers jonge leeftijd, zijn beperkte opleiding en het feit dat eiser uiteenlopende klussen moest verrichten. Verder voert eiser aan dat hij bij terugkeer naar Afghanistan wel risico loopt op vervolging dan wel onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM [8] en artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn [9] (hierna: artikel 15c van de Kri). Verweerder heeft in dit kader de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan onvoldoende meegewogen. Ten onrechte vindt verweerder eisers bedreigingen ongeloofwaardig. Daarnaast past de moord op eisers oom binnen het wraakpatroon van de Taliban en doet eisers tijdelijke terugkeer naar Afghanistan niet af aan het risico dat hij loopt bij terugkeer. Tot slot verzet eiser zich tegen de oplegging van het terugkeerbesluit en het inreisverbod van twee jaar.
5. Ter zitting is de door de gemachtigde van eiser ingediende pleitnota toegelicht.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Gelet op de door eiser voorafgaand aan de zitting ingediende stukken en de daarop gegeven toelichting en verklaring van eiser zoals die blijken uit de aan het dossier toegevoegde aantekeningen van de zitting, is de rechtbank met eiser van oordeel dat een reactie van verweerder wenselijk is. Nu verweerder niet aanwezig was op de zitting om te reageren en ook geen verweerschrift heeft ingediend, is de rechtbank van oordeel dat het besluit onvoldoende deugdelijk gemotiveerd is. Daarom zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt.
Mocht verweerder eisers identiteit niet geloofwaardig vinden?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers identiteit niet geloofwaardig is. Zo mocht verweerder eiser tegenwerpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd die zijn identiteit onderbouwen en hij daar geen goede verklaring voor heeft. In dit licht heeft verweerder mogen vinden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij inspanningen heeft verricht om aan identificerende documenten te komen. Eiser heeft voorafgaand aan de zitting, op 12 november 2025, weliswaar een vertaling van zijn tazkera overgelegd, maar dat neemt niet weg dat deze kopie niet op echtheid gecontroleerd kan worden, zodat hieraan niet de gewenste waarde kan worden gehecht. Bovendien heeft verweerder mogen betrekken dat uit openbare bronnen blijkt dat tazkera’s fraudegevoelig zouden zijn [10] , wat betekent dat eiser hiermee zijn identiteit niet heeft onderbouwd. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij via officieuze wegen nog zou proberen zijn originele tazkera naar Nederland te laten overbrengen, maar eiser heeft niet concreet kunnen maken of en wanneer dat zou gebeuren. Verweerder heeft mogen vinden dat eiser hiervoor sinds januari 2023 voldoende tijd heeft gehad.
8. Verweerder heeft verder aan eiser mogen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn identiteit en in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser in Bulgarije geregistreerd staat als [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 2002, en hij in Nederland de naam [eiser] en geboortedatum [geboortedatum 1] 2000 heeft opgegeven. Dat eiser stelt dat hij analfabeet is en afhankelijk was van derden bij de registratie, maakt dat niet anders. Verweerder heeft van eiser mogen verwachten dat hij, ondanks zijn gestelde analfabetisme, consistent over zijn persoonlijke gegevens kan verklaren. Het gaat immers om belangrijke registratie van basale algemene en persoonlijke gegevens bij officiële instanties. Verweerder heeft zich in redelijkheid dan ook op het standpunt mogen stellen dat de verantwoordelijkheid voor het correct opgegeven van persoonsgegevens bij eiser ligt. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dan ook niet dat verweerder meer onderzoek had moeten doen naar de context waarin die gegevens zijn geregistreerd. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Mocht verweerder eisers problemen met de Taliban vanwege zijn werk niet geloofwaardig vinden?
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door eiser gestelde problemen met de Taliban vanwege zijn werk bij de Amerikaanse troepenmacht niet geloofwaardig zijn. Ter onderbouwing van zijn relaas heeft eiser voorafgaand aan de zitting twee dreigbrieven, gedateerd op 1 november 2024 en 12 december 2024, overgelegd, als ook de vertaling daarvan. Eiser stelt dat deze afkomstig zijn van de Taliban en ze onderbouwen volgens hem zijn betoog dat hij door hen gezocht en bedreigd wordt. Eiser heeft verklaard dat hij deze brieven via een vriend van zijn broer, die naar Londen was gereisd, heeft ontvangen. Nu eiser deze documenten heeft ingebracht ter onderbouwing van zijn relaas en verweerder, door niet te verschijnen ter zitting, hier geen reactie op heeft gegeven en geen standpunt heeft ingenomen over de authenticiteit daarvan, heeft verweerder, gelet op de aanvullende stukken, onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat hij wordt bedreigd en gezocht door de Taliban.
10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers problemen werkt door in de beoordeling van de risico’s bij terugkeer. Gelet op deze samenhang zal de rechtbank de overige beroepsgronden op dit moment niet bespreken. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. Verweerder moet daarbij de door eiser overgelegde stukken en de nadere toelichting daarover kenbaar betrekken.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel [11] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt verweerder op om een nieuw besluit nemen op de aanvraag en daarbij rekening houden met deze uitspraak. [12]
12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
13. Gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,-. [13]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een totaalbedrag van €2.721,-.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw.
3.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e van de Vw.
4.Op grond van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
5.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
6.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw.
7.Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw.
8.Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
9.Richtlijn 2011/95/EU.
10.Algemeen ambtsbericht Afghanistan juni 2023, p. 51
11.Op grond van artikelen 3:46 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
12.De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.
13.1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.