Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Aan eiseres is in eerste instantie zorgtoeslag voor het jaar 2022 toegekend op basis van een toetsingsinkomen van € 22.883.Op 17 juli 2024 heeft verweerder vanuit de Basisregistratie Inkomensgegevens (BRI) een melding ontvangen dat het inkomen van eiseres voor het jaar 2022 € 27.167 bedraagt.Verweerder heeft op basis daarvan de definitief berekende zorgtoeslag herzien en de teveel ontvangen zorgtoeslag over 2022 teruggevorderd.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met de terugvordering van de zorgtoeslag. Volgens eiseres heeft verweerder het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel geschonden. Ook doet eiseres een beroep op de hardheidsclausule. Eiseres stelt daarnaast dat zij recht heeft op een dwangsom, omdat verweerder te laat heeft beslist op haar verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt dat de zorgtoeslag van eiseres terecht is verlaagd. Verweerder kan niet afwijken van het inkomensgegeven zoals dat is vastgelegd in de BRI. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven de terugvordering te matigen, is niet gebleken. Van schending van het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel is evenmin gebleken. In het verweerschrift is erkend dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, maar dit gebrek is door de nadere toelichting in het verweerschrift hersteld. Verweerder stelt daarnaast dat hij niet bevoegd is te beslissen op het beroep van eiseres op de hardheidsclausule en ten aanzien van het Woo-verzoek voert verweerder aan dat eiseres geen recht heeft op een dwangsom.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Zorgtoeslag
5. De hoogte van de zorgtoeslag is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen.Om de draagkracht te bepalen moet verweerder zich baseren op het toetsingsinkomen.Het toetsingsinkomen en het vermogen worden door de inspecteur van de inkomstenbelasting vastgesteld en geregistreerd in de BRI.Verweerder moet het inkomen en vermogen in aanmerking nemen zoals dat volgt uit de BRI.Verweerder is voor de zorgtoeslag van eiseres dan ook terecht uitgegaan van de in de BRI geregistreerde inkomensgegevens. Omdat eiseres door die inkomensgegevens recht heeft op een lager bedrag aan zorgtoeslag, heeft verweerder de eerder toegekende zorgtoeslag terecht herzien. De rechtbank begrijpt dat eiseres het niet eens is met de uitkomst van de regelgeving in haar situatie, maar verweerder is gehouden om de wet- en regelgeving toe te passen zoals vastgesteld door de wetgever. De rechtbank leidt verder uit het dossier af dat eiseres bezwaar heeft gemaakt bij de inspecteur van de inkomstenbelasting tegen de aanslag inkomstenbelasting 2022, maar dat bezwaar, en later ook het beroep, heeft niet tot een wijziging van het toetsingsinkomen geleid.
6. Vaststaat dat eiseres teveel zorgtoeslag heeft ontvangen. Op grond van artikel 26, tweede lid, van de Awir is het uitgangspunt dat verweerder het volledige bedrag terugvordert. Verweerder kan van volledige terugvordering afzien, indien de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn ten opzichte van de met die terugvordering te dienen doelen. Verweerder moet bij het besluit tot terugvordering op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen en onder bijzondere omstandigheden kan verweerder van terugvordering afzien of het terug te vorderen bedrag matigen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiseres niet onevenredig zijn in verhouding tot het daarmee te dienen doel. Het doel van de terugvordering omschrijft verweerder als de rechtmatige besteding van publieke middelen. Verweerder verwijst naar het Verzamelbesluit Toeslagen(Verzamelbesluit) waarin het beleid over het matigen van de terugvordering van toeslagen is opgenomen. Volgens dat beleid kunnen alleen bijzondere omstandigheden zich verzetten tegen gehele terugvordering.
7. De rechtbank constateert dat verweerder in het bestreden besluit geen belangenafweging met betrekking tot de terugvordering heeft gemaakt. Dat betekent dat die beslissing in zoverre een motiveringsgebrek heeft. Verweerder heeft in het verweerschrift de belangenafweging alsnog gemaakt. Verweerder heeft in het verweerschrift erop gewezen dat uit het Verzamelbesluit volgt dat financiële omstandigheden van de belanghebbende geen aanleiding zijn om van terugvordering af te zien of deze te matigen. Reden hiervoor is dat de belanghebbende verweerder kan verzoeken om een persoonlijke betalingsregeling te treffen op grond van de betalingscapaciteit. De financiële situatie van eiseres wordt dus niet als een bijzondere omstandigheid aangemerkt. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt bovendien dat toeslagen niet strekken tot het waarborgen van het bestaansminimum.Daar komt bij dat ter zitting is gebleken dat eiseres de onderhavige terugvordering inmiddels volledig heeft afbetaald. Eiseres heeft ook overigens geen omstandigheden aangevoerd die op zichzelf of in samenhang zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden die aanleiding geven de terugvordering te matigen. Een verschil tussen het vooraf gehanteerde inkomen en het achteraf vastgestelde toetsingsinkomen, zoals zich bij eiseres voordoet, is geen bijzondere omstandigheid die met zich brengt dat de terugvordering onevenredig is. Het voorgaande betekent dat verweerder de ten onrechte verleende zorgtoeslag mocht terugvorderen. Dat eiseres het niet eens is met de uitkomst van deze belangenafweging en vindt dat verweerder daarmee niet vanuit de menselijke maat handelt, maakt het voorgaande niet anders en betekent niet dat de belangenafweging daarom onzorgvuldig of onvolledig is. De rechtbank heeft voorts niet de bevoegdheid om in dit kader het door eiseres gewenste maatwerk te leveren.
8. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht waarom hij vindt dat geen sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel niet is gebleken. Eiseres heeft niet onderbouwd dat en op welke wijze verweerder hiermee in strijd heeft gehandeld. De verwijzing van eiseres naar de Wet waarborgfunctie Awb kan niet slagen, omdat die wet nog niet in werking is getreden. Eiseres heeft er verder nog op gewezen dat verweerder stukken antidateert en correspondentie aan haar blijft richten in plaats van aan haar gemachtigde. Wat daar ook van zij, de rechtbank heeft geen aanleiding gezien om daar gevolgen aan te verbinden, omdat niet is gebleken dat eiseres daardoor in haar procesbelangen is geschaad.
9. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat het bestreden besluit inhoudelijk niet hoeft te worden vernietigd. Eiseres is door het motiveringsgebrek in het bestreden besluit niet benadeeld. Verweerder is namelijk in het verweerschrift alsnog ingegaan op de door eiseres gestelde schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en heeft alsnog getoetst of er reden bestaat om de terugvordering te matigen. De rechtbank zal daarom, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek in het bestreden besluit passeren en de beslissing in stand laten. Wel komt eiseres door de toepassing van artikel 6:22 van de Awb in aanmerking voor vergoeding van de gemaakte proceskosten en de betaalde griffierechten.
10. Voor zover eiseres een beroep doet op de hardheidsclausule van artikel 47 van de Awir, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen, volgt uit artikel 47 van de Awir dat de wetgever een gesloten stelsel van categorieën gevallen heeft beoogd, waarin een afwijkende maatregel kan worden getroffen.In artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir zijn die categorieën opgesomd. Geen van de in de hardheidsclausule genoemde categorieën doet zich in dit geval voor en voor de situatie van eiseres is dus geen uitzondering gemaakt. Aan verweerder is geen ruimte gelaten om in andere gevallen een gestelde hardheid van het stelsel als onbillijk te beoordelen. Die bevoegdheid komt toe aan de minister van Financiën. Verweerder heeft het verzoek van eiseres daarom doorgestuurd naar de minister van Financiën. Het beroep van eiseres op de hardheidsclausule kan in deze procedure dan ook niet tot een andere uitkomst leiden.
Materiële en immateriële schade
11. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van materiële- en immateriële schade. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van materiële schade af, aangezien de rechtbank op grond van artikel 8:73 van de Awb alleen bij een gegrond beroep de mogelijkheid heeft om een partij te veroordelen tot betaling van een (materiële) schadevergoeding. Voor vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat geen aanleiding. Op het moment waarop in de onderhavige zaak door de rechtbank uitspraak wordt gedaan is de redelijke termijn van twee jaar namelijk nog niet overschreden.
12. Eiseres stelt dat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar Woo-verzoek met dagtekening 6 september 2024. Verweerder heeft dit verzoek ontvangen op
9 september 2024. Uit artikel 4:4 van de Woo volgt dat op een Woo-verzoek binnen vier weken moet worden beslist. Verweerder had dus op 7 oktober 2024 op het Woo-verzoek moeten beslissen. Eiseres heeft verweerder met dagtekening 7 oktober 2024in gebreke gesteld en met dagtekening 5 november 2024 is eiseres in beroep gegaan tegen het uitblijven van een beslissing op het Woo-verzoek.
13. De rechtbank stelt vast dat verweerder hangende beroep met het besluit van
6 december 2024op het Woo-verzoek van eiseres heeft beslist. Gelet hierop heeft eiseres geen procesbelang meer bij een beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Omdat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit, is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet in het feit dat eiseres beroep heeft moeten instellen om de beslissing op het Woo-verzoek te ontvangen, aanleiding om te bepalen dat verweerder het griffierecht aan eiseres dient te vergoeden.
14. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoetkomt.Eiseres heeft in de aanvullende gronden van 13 december 2024aangegeven dat zij geen bezwaar wil indienen tegen het besluit van 6 december 2024. Gelet hierop is het beroep niet van rechtswege gericht tegen het besluit van 6 december 2024. Het beroep van eiseres zal daarom niet doorgezonden worden aan verweerder ter behandeling als bezwaar.
15. Eiseres heeft verzocht om een dwangsom, omdat verweerder te laat zou hebben beslist op het Woo-verzoek. De rechtbank kan niet aan dit verzoek voldoen, omdat uit artikel 8:2 van de Woo volgt dat de dwangsomregeling van artikel 4:17 van de Awb niet van toepassing is op besluiten op grond van de Woo en op beslissingen op bezwaar tegen die besluiten. Verweerder is daarom geen dwangsom aan eiseres verschuldigd.
16. De beroepsgronden van eiseres die betrekking hebben op een door haar bij verweerder ingediend herzieningsverzoek en de afwijzing van haar klacht van
13 november 2024, zien niet op het bestreden besluit. Dit betekent dat die gronden buiten de omvang van deze procedure vallen.