Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.[eisers sub 1],
2.
[eisers sub 2],
1.[gedaagden sub 1],
2.
[gedaagden sub 2],
1.De procedure
- het bericht van [gedaagden] van 19 september 2025 met producties 7 tot en met 14.
2.De feiten
De heer [eisers sub 1], (…) en
Mevrouw [eisers sub 2] (…)
Indien de aanbieder het verkochte wenst te vervreemden, moet zij daarvan mededeling doen aan de koopgerechtigde. Deze mededeling geldt als een aanbod tot verkoop van het verkochte aan de koopgerechtigde.
3.Het geschil
- [gedaagden] veroordeelt om binnen 30 dagen na het te wijzen vonnis beiden hun 50% aandeel in de woning aan [eisers] te leveren voor de overeengekomen koopsom van € 560.000,00 op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijven;
- [gedaagden] veroordeelt tot betaling van de contractuele boete van € 100.000,00, vermeerderd met een aanvullende contractuele boete van € 1.000,00 per dag, vanaf 20 april 2025 tot aan de dag dat zij de woning aan [eisers] hebben geleverd;
- met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.
- primair het beslag op de woning met onmiddellijke ingang opheft en subsidiair [eisers] veroordeelt tot opheffing van het beslag op de woning en het doen van mededeling, waaronder begrepen doorhaling van het beslag in de openbare registers, van de opheffing van het beslag binnen drie dagen na het betekenen van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijven;
- voor recht verklaart dat het door [eisers] gelegde beslag onrechtmatig is en dat zij aansprakelijk zijn voor de schade die [gedaagden sub 1] als gevolg daarvan heeft geleden, welke nader wordt opgemaakt bij staat;
- [eisers] veroordeelt in de proceskosten.
4.De beoordeling
tezamen als ieder van hen afzonderlijk” als ‘aanbieder’ worden aangeduid. Verder vermeldt het vijfde lid dat partijen worden geacht een definitieve koopovereenkomst te hebben gesloten, als
geen van partijenbinnen vier weken na een akkoord over de koopprijs heeft verklaard van de vervreemding te willen afzien. Uit de tekst van het recht van eerste koop volgt dus dat [gedaagden sub 1] individueel als aanbieder en als partij geldt en dat hij dus zelfstandig bevoegd was om de verklaring af te leggen om af te zien van de voorgenomen eigendomsoverdracht. [eisers] hebben wat betreft de uitleg van het recht van eerste koop en in het bijzonder dit onderdeel van die regeling, uitsluitend verwezen naar de tekst van de regeling. Zij hebben geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit een andere uitleg zou kunnen volgen, dan volgt uit de tekstuele uitleg.