ECLI:NL:RBDHA:2025:24353

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
685401
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg recht van eerste koop en de totstandkoming van een koopovereenkomst

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 november 2025 uitspraak gedaan over een geschil tussen twee partijen over een recht van eerste koop. De eisers, [eisers sub 1] en [eisers sub 2], hadden in 2015 een woning gekocht en een recht van eerste koop bedongen voor een naastgelegen schuur. In 2021 hebben de gedaagden, [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2], de schuur gekocht en deze omgebouwd tot een woning. In januari 2025 hebben de gedaagden de woning te koop aangeboden aan de eisers, die vervolgens een bod hebben uitgebracht. De gedaagden hebben echter later medegedeeld dat zij de woning niet langer wilden verkopen, wat leidde tot een geschil over de vraag of er een koopovereenkomst tot stand was gekomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen koopovereenkomst tot stand is gekomen, omdat [gedaagden sub 1] tijdig heeft medegedeeld dat hij van de verkoop afzag. De rechtbank heeft de vorderingen van de eisers afgewezen en het conservatoire beslag dat door hen was gelegd, opgeheven. Tevens is geoordeeld dat de eisers aansprakelijk zijn voor de schade die de gedaagden hebben geleden door het onrechtmatige beslag.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaak- / rolnummer: C/09/685401 / HA ZA 25-432
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van

1.[eisers sub 1],

te [woonplaats],
2.
[eisers sub 2],
te [woonplaats],
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. D.G. Lasschuit,
tegen

1.[gedaagden sub 1],

hierna te noemen: [gedaagden sub 1],
te [woonplaats],
2.
[gedaagden sub 2],
hierna te noemen: [gedaagden sub 2],
te [woonplaats],
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. B.A. Boer.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 8 mei 2025 met producties 1 tot en met 15;
- de conclusie van antwoord tevens houdende een eis in reconventie van [gedaagden] van 2 juli 2025 met producties 1 tot en met 6;
- de akte vermeerdering van eis van [eisers] van 13 augustus 2025;
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eisers] van 13 augustus 2025 met producties 16 tot en met 23;
- het bericht van [gedaagden] van 19 september 2025 met producties 7 tot en met 14.
1.2.
Op 1 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eisers] hebben op 15 december 2015 de woning aan de [adres 1] te ([postcode]) [plaats 1] gekocht. Met de verkopers van de woning zijn zij een recht van eerste koop overeengekomen voor de naastgelegen schuur aan de [adres 2].
2.2.
Op 15 januari 2021 hebben [gedaagden] de schuur aan de [adres 2] geleverd gekregen. In de leveringsakte is het recht van eerste koop dat [eisers] hadden bedongen aan [gedaagden] als kopers opgelegd. Daarover vermeldt de leveringsakte, voor zover hier relevant, onder meer het volgende:
“Verkoper legt dit recht van koop bij deze op aan koper. In het na te melden recht van koop wordt verstaan onder:
De aanbieder(s): de beide kopers voornoemd, zo tezamen als ieder van hen afzonderlijk.
Koopgerechtigde zijn, zo tezamen als ieder afzonderlijk:
a.
De heer [eisers sub 1], (…) en
b.
Mevrouw [eisers sub 2] (…)
Indien de aanbieder de schuur op het verkochte (…) wenst te vervreemden, dient hij deze te koop aan te bieden aan de koopgerechtigde. (…)
1.
Indien de aanbieder het verkochte wenst te vervreemden, moet zij daarvan mededeling doen aan de koopgerechtigde. Deze mededeling geldt als een aanbod tot verkoop van het verkochte aan de koopgerechtigde.
2. De prijs, waartegen de koopgerechtigde het aangeboden registergoed kan kopen, zal – door partijen in onderling overleg worden overeengekomen, danwel als partijen dat overeenkomen – door drie deskundigen, die worden benoemd hetzij in onderling overleg hetzij (…) door (…) de Kantonrechter, zulks op basis van de waarde in het economisch verkeer.
3. Binnen vier weken na ontvangst van de sub 1 bedoelde mededeling dient de koopgerechtigde te verklaren of hij van het aanbod gebruik wenst te maken (…)
4. Binnen vier weken nadat de prijs tussen partijen is overeengekomen (…) is zowel de aanbieder als de koopgerechtigde bevoegd aan de wederpartij te verklaren dat hij van de voorgenomen eigendomsoverdracht afziet respectievelijk geen gebruik wenst te maken van het aanbod.
5. Indien geen van partijen binnen laatstgenoemde termijn de sub 4 bedoelde verklaring heeft uitgebracht, worden partijen definitief geacht een overeenkomst van koop en verkoop te hebben gesloten tegen de overeengekomen (…) prijs.
(…)
9. Indien de aanbieder nalatig is (…) in de nakoming van een van de verplichtingen uit het vorenstaande voortvloeiende verbeurt hij ten behoeve van de koopgerechtigde een direct en zonder rechterlijke tussenkomst opeisbare boete van éénhonderdduizend euro (€ 100.000,00) ineens en een boete van éénduizend euro (€ 1.000,00) per dag voor iedere dag dat de overtreding duurt (…)
10. Alle mededelingen en kennisgevingen, welke krachtens deze bepaling moeten geschieden, moeten worden gedaan bij aangetekend schrijven of per deurwaardersexploit.”
2.3.
[gedaagden] hebben de schuur aan de [adres 2] in de periode daarna getransformeerd naar een woning, hierna te noemen: ‘de woning’.
2.4.
Op 6 januari 2025 hebben [gedaagden] per brief aan [eisers] medegedeeld dat zij de woning te koop aanbieden. Daarin staat, voor zover hier relevant, onder meer het volgende:
“(…)
Zoals overeengekomen in de akte van levering welke op 15-01-2021 is ondertekend door ondergetekenden bij [notariskantoor] te [plaats 2], heeft u het eerste recht van koop op de woning.
Via deze weg willen wij schriftelijk vastleggen dat wij u hierbij de mogelijkheid geven uw recht van eerste koopgerechtigde uit te oefenen.
Wij ontvangen graag een verklaring waarin u aangeeft of u van het aanbod gebruikt wenst te maken. Deze kunt u tot 4 weken na het aanbod (uiterlijk maandag 3 februari 2025) schriftelijk aan ons verstrekken. Hebben wij deze verklaring niet ontvangen voor het verstrijken van de termijn, dan gaan wij er vanuit dat u geen gebruik wenst te maken van uw eerste recht van koop.”
2.5.
Per brief van 11 januari 2025 hebben [eisers] aan [gedaagden] medegedeeld dat zij willen overgaan tot de aankoop van de woning.
2.6.
Op 22 januari 2025 hebben [eisers] schriftelijk een onherroepelijk bod op de woning uitgebracht voor een koopsom van € 560.000,00. Dat schriftelijk bod is door [gedaagden] medeondertekend.
2.7.
Per brief van 27 januari 2025 heeft [gedaagden sub 1] aan [eisers] bericht dat hij de woning niet langer wil verkopen. In die brief staat, voor zover hier relevant, onder meer het volgende:
“Zoals eerder besproken, had ik u de mogelijkheid tot eerste koop aangeboden. Via Whatsapp heb ik u op 24 januari 2025 geïnformeerd dat ik heb besloten mijn woning uit de verkoop te halen. Ik heb besloten mijn woning zelf aan te houden. Conform artikel 2 sub L lid 10 ‘recht van eerste koop’ Koopovereenkomst stel ik u hierbij schriftelijk op de hoogte.”
2.8.
[eisers] hebben op 29 april 2025 conservatoir leveringsbeslag op de woning gelegd.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eisers] vorderen – zakelijk weergegeven en na vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • [gedaagden] veroordeelt om binnen 30 dagen na het te wijzen vonnis beiden hun 50% aandeel in de woning aan [eisers] te leveren voor de overeengekomen koopsom van € 560.000,00 op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijven;
  • [gedaagden] veroordeelt tot betaling van de contractuele boete van € 100.000,00, vermeerderd met een aanvullende contractuele boete van € 1.000,00 per dag, vanaf 20 april 2025 tot aan de dag dat zij de woning aan [eisers] hebben geleverd;
  • met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.
3.2.
[gedaagden] voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eisers] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagden] vorderen– zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
  • primair het beslag op de woning met onmiddellijke ingang opheft en subsidiair [eisers] veroordeelt tot opheffing van het beslag op de woning en het doen van mededeling, waaronder begrepen doorhaling van het beslag in de openbare registers, van de opheffing van het beslag binnen drie dagen na het betekenen van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijven;
  • voor recht verklaart dat het door [eisers] gelegde beslag onrechtmatig is en dat zij aansprakelijk zijn voor de schade die [gedaagden sub 1] als gevolg daarvan heeft geleden, welke nader wordt opgemaakt bij staat;
  • [eisers] veroordeelt in de proceskosten.
3.5.
[eisers] voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en reconventie
4.1.
Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of er een koopovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagden] verplicht zijn om de woning aan [eisers] te leveren. [eisers] stellen van wel en [gedaagden] stellen van niet. De vorderingen over en weer vloeien daaruit voort en lenen zich dus voor gezamenlijke behandeling.
4.2.
[eisers] stellen dat zij met [gedaagden] overeenstemming hebben bereikt over de koopsom van de woning op grond van hun schriftelijke bod, dat ook door [gedaagden] is ondertekend. Volgens hen is de verkoop van de woning door [gedaagden] een beschikkingshandeling die op grond van artikel 3:170 BW alleen door hen allebei kan worden verricht. Omdat alleen [gedaagden sub 1], en dus niet ook [gedaagden sub 2], heeft medegedeeld dat hij van de verkoop van de woning wenst af te zien, komt volgens [eisers] geen gevolg toe aan die mededeling. Daardoor is de termijn van vier weken in lid 5 van het recht van eerste koop om van de verkoop af te zien verstreken. Dat betekent dat tussen partijen een definitieve koopovereenkomst tot stand is gekomen, uit hoofde waarvan [gedaagden] tot verkoop en levering moeten overgaan. Aangezien zij dat niet hebben gedaan, zijn zij volgens [eisers] ook de contractuele boete verschuldigd. Voor zover [gedaagden sub 1] niet tot levering van zijn aandeel in de woning gehouden mocht zijn, dient [gedaagden sub 2] volgens [eisers] in ieder geval te worden veroordeeld tot levering van haar aandeel in de woning.
4.3.
[gedaagden] stellen dat [gedaagden sub 1] conform het recht van eerste koop tijdig aan [eisers] heeft medegedeeld dat hij wenst af te zien van de verkoop van de woning, zodat er tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. Ter zitting hebben zij betwist dat [gedaagden] het bod hebben geaccepteerd. Volgens hen hebben zij dat bod alleen voor ontvangst ondertekend. Volgens [eisers] is hun bod op de woning wel door [gedaagden] geaccepteerd en was dat voor alle partijen duidelijk. Ook hebben [gedaagden] ter zitting het standpunt ingenomen dat het recht van eerste koop teniet is gegaan, omdat daarin wordt gesproken over een schuur, terwijl [gedaagden] die schuur hebben getransformeerd naar een woning. Dat is door [eisers] betwist. De rechtbank zal de ter zitting ingenomen standpunten van [gedaagden] eerst behandelen.
Het recht van eerste koop is niet tenietgegaan
4.4.
De rechtbank overweegt dat het voor het standpunt van [gedaagden] dat het recht van eerste koop door de transformatie van de schuur naar een woning teniet is gegaan, aankomt op een uitleg van het recht van eerste koop zoals dat in de leveringsakte is opgenomen. Bij de uitleg van een overeenkomst komt het niet slechts aan op de taalkundige (of grammaticale) betekening van een tekst, maar met name op de betekenis die partijen aan de tekst mochten toekennen, gelet op de gegeven omstandigheden van het geval en op basis van wat de partijen van elkaar mochten verwachten. Bij de vraag welke betekenis de partijen aan de tekst mochten toekennen, zijn niet alleen de hoedanigheid en de juridische kennis van de partijen van belang, maar bijvoorbeeld ook omstandigheden die zich na de totstandkoming van de overeenkomst voordoen (Haviltex-maatstaf).
4.5.
[gedaagden] hebben naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat het transformeren van een schuur naar een woning met zich zou brengen dat het op de schuur rustende recht van eerste koop is komen te vervallen. Zij lijken daar, tot het moment dat zij dat standpunt ter zitting hebben ingenomen, zelf ook niet vanuit te zijn gegaan. Zij hebben immers in hun aanbiedingsbrief van 6 januari 2025 expliciet verwezen naar hun verplichting om de woning aan [eisers] als koopgerechtigden te koop aan te bieden. Dat standpunt van [gedaagden] wordt daarom door de rechtbank verworpen.
Bod is wel door [gedaagden] geaccepteerd
4.6.
Met betrekking tot het standpunt van [gedaagden] dat zij het bod slechts ter ontvangst hebben getekend, overweegt de rechtbank dat de regeling van een recht van eerste koop uitgaat van overeenstemming tussen partijen over de koopprijs, dan wel dat er drie deskundigen benoemd moeten worden. [gedaagden] en [eisers] hebben geen deskundigen benoemd. Na de taxatie van de woning hebben [eisers] een schriftelijk bod uitgebracht, dat mede door [gedaagden] is ondertekend. Dat wijst erop dat zij overeenkomstig de regeling overeenstemming over de koopprijs hebben bereikt.
4.7.
Verder staat tegenover het standpunt van [gedaagden] dat [gedaagden sub 1] in zijn brief van 27 januari 2025 expliciet verwijst naar artikel 2 sub L lid 10 van het recht van eerste koop. Dat artikel vermeldt dat alle meldingen die krachtens die bepaling moeten geschieden, per aangetekende brief of deurwaardersexploot moeten worden gedaan. Lid 4 van die bepaling houdt in dat een partij aan de ander kan verklaren dat zij afziet van de verkoop nadat de prijs is overeengekomen. Uit het feit dat [gedaagden sub 1] in zijn brief van 27 januari 2025 zelf naar het recht van eerste koop en de mededelingsplicht verwijst, volgt dat hij er destijds ook vanuit ging dat partijen overeenstemming over de prijs hadden bereikt en hij schriftelijk moest verklaren daarvan af te zien. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat [gedaagden] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden hebben gesteld waaruit blijkt dat zij het bod van [eisers] niet hebben geaccepteerd. Ook dat standpunt van [gedaagden] wordt door de rechtbank verworpen.
Er is geen koopovereenkomst tot stand gekomen
4.8.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank toekomt aan de beoordeling of er tussen partijen op grond van de regeling van een recht van eerste koop een koopovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagden] verplicht zijn om de woning aan [eisers] te leveren. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is de regeling in zoverre doorlopen dat [gedaagden] een mededeling hebben gedaan aan [eisers] dat zij de woning wensten te verkopen en dat partijen een prijs zijn overeengekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagden sub 1] vervolgens tijdig een verklaring als bedoeld in de regeling van het recht van eerste koop heeft uitgebracht, waarin hij aan [eisers] mededeelt dat hij van de verkoop wenst af te zien. Tussen partijen is wel in geschil of aan die verklaring gevolg toekomt. [eisers] hebben immers betwist dat [gedaagden sub 1] die verklaring op grond van het recht van eerste koop alleen kon uitbrengen, althans dat de verkoop van de woning een beschikkingshandeling is en die individuele verklaring daardoor in strijd is met het dwingendrechtelijke artikel 3:170 lid 3 BW.
4.9.
De rechtbank overweegt dat het ook daarbij aankomt op een uitleg aan de hand van de eerder geduide Haviltex-maatstaf van het recht van eerste koop zoals dat in de leveringsakte is opgenomen, en meer specifiek de mogelijkheid van een partij nog af te zien van de verkoop.
4.10.
De rechtbank overweegt dat in het recht van eerste koop [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] zowel “
tezamen als ieder van hen afzonderlijk” als ‘aanbieder’ worden aangeduid. Verder vermeldt het vijfde lid dat partijen worden geacht een definitieve koopovereenkomst te hebben gesloten, als
geen van partijenbinnen vier weken na een akkoord over de koopprijs heeft verklaard van de vervreemding te willen afzien. Uit de tekst van het recht van eerste koop volgt dus dat [gedaagden sub 1] individueel als aanbieder en als partij geldt en dat hij dus zelfstandig bevoegd was om de verklaring af te leggen om af te zien van de voorgenomen eigendomsoverdracht. [eisers] hebben wat betreft de uitleg van het recht van eerste koop en in het bijzonder dit onderdeel van die regeling, uitsluitend verwezen naar de tekst van de regeling. Zij hebben geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit een andere uitleg zou kunnen volgen, dan volgt uit de tekstuele uitleg.
4.11.
Het standpunt van [eisers] is er - daarentegen - op gebaseerd dat artikel 3:170 lid 3 BW dwingendrechtelijk voorschrijft dat uitsluitend [gedaagden] gezamenlijk zouden kunnen afzien van de eigendomsoverdracht als bedoeld in de regeling van het recht van eerste koop. Volgens [eisers] zou het afzien van de eigendomsoverdracht namelijk een beschikkingshandeling zijn. De rechtbank volgt [eisers] niet in hun betoog. Artikel 3:170 lid 3 BW heeft betrekking op beschikkingshandelingen. Daaronder dienen ook te worden begrepen obligatoire overeenkomsten strekkende tot beschikking over een gemeenschappelijk goed. Zo zou het verkopen van een gemeenschappelijk goed kunnen worden gekwalificeerd als een beschikkingshandeling (Asser/Perrick 3-V 2023/24). Een dergelijke verplichting tot verkoop dient evenwel te worden onderscheiden van de onderhavige partijafspraak, waarbij [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] zelfstandig mogen afzien van een levering van de woning aan [eisers] Deze regeling leidt immers niet tot een beschikkingshandeling als bedoeld in artikel 3:170 lid 3 BW en de partijafspraak is daarom ook niet in strijd met dwingend recht.
4.12.
Kortom, de rechtbank is van oordeel dat [gedaagden sub 1] bevoegd was om gebruik te maken van de mogelijkheid om af te zien van de verkoop van de woning en dat hij dat ook tijdig heeft gedaan. Dat betekent dat er tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. Daarom worden de vorderingen van [eisers] in conventie afgewezen.
Reconventionele vorderingen
4.13.
Aan hun reconventionele vorderingen leggen [gedaagden] ten grondslag dat het door [eisers] gelegde conservatoire beslag onrechtmatig is als de vorderingen in conventie worden afgewezen, omdat het dan geen enkel doel dient. Zij vorderen dan ook dat het beslag wordt opgeheven. Zij stellen dat zij daar belang bij hebben, omdat zij hun relatie hebben verbroken en na de opheffing over kunnen gaan tot verdeling van de gemeenschappelijke woning. Verder lijdt [gedaagden sub 1] volgens hen mogelijk schade door het gelegde beslag. Hij heeft een financieringsaanvraag gedaan voor het verkrijgen van het aandeel van [gedaagden sub 2] in de woning en de offerte die hij heeft verkregen is slechts een beperkte tijd geldig. Als hij na opheffing van het beslag slechts tegen ongunstigere voorwaarden financiering zou kunnen krijgen, dan lijdt hij schade. Daarom vorderen [gedaagden] ook een verklaring voor recht dat [eisers] voor die schade, nader op te maken bij staat, aansprakelijk zijn.
4.14.
[eisers] hebben geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de gevorderde opheffing van het beslag en verklaring voor recht. Wel hebben zij bezwaar gemaakt tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring daarvan.
4.15.
Ingevolge artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (“Rv”) wordt een conservatoir beslag opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Deze beoordeling kan niet los gebeuren van een afweging van de wederzijdse belangen. Een conservatoir beslag strekt er naar zijn aard toe om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken.
4.16.
De rechtbank overweegt dat niet is komen vast te staan dat [eisers] een recht of titel op levering van de woning hebben. Dat betekent dat zij zonder geldige rechtsgrond leveringsbeslag hebben gelegd op de woning. Zij hebben ook geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de reconventionele vordering tot opheffing daarvan. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [gedaagden] voldoende hebben onderbouwd dat zij belang bij hun vordering hebben, vanwege de verdeling van de woning na het eindigen van hun relatie en de aannemelijkheid van de mogelijkheid dat [gedaagden sub 1] schade lijdt door het verlopen van de financieringsofferte. Verder weegt de rechtbank mee dat het recht van eerste koop ook na een eventuele verdeling tussen [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] op [gedaagden sub 1] zal blijven rusten, zodat [eisers] dat recht niet geheel verloren zien gaan. De voorgaande omstandigheden in samenhang bezien brengen mee dat de rechtbank komt tot toewijzing van de reconventionele vorderingen tot opheffing van het beslag en de verklaring voor recht, inclusief uitvoerbaar bij voorraad verklaring daarvan.
Proceskosten in conventie
4.17.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.698,00
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.19.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
De proceskosten in reconventie
4.20.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- salaris advocaat
614,00
(2 punten × factor 0,5 × € 614,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
753,00

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.698,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
5.4.
heft op het op 29 april 2025 door [eisers] op de woning aan de [adres 2] ([postcode]) te [plaats 1] gelegde conservatoir beslag tot levering,
5.5.
verklaart voor recht dat het door [eisers] conservatoir gelegde beslag op de woning onrechtmatig is jegens [gedaagden sub 1] en dat [eisers] aansprakelijk zijn voor de schade die [gedaagden sub 1] als gevolg daarvan lijdt, nader op te maken bij staat,
5.6.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 753,00,
in conventie en in reconventie
5.7.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart dit vonnis, met uitzondering van de onder 5.1 en 5.5 genoemde beslissingen, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.J. Doornink en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.