ECLI:NL:RBDHA:2025:24376
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond verklaard tegen berekening invorderingsrente inkomstenbelasting 2014
Eiser maakte bezwaar tegen de invorderingsrente die verweerder in rekening bracht over de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2014. Na gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar door verweerder, stelde eiser beroep in bij de rechtbank. De kern van het geschil betrof de juistheid van de berekening van de invorderingsrente.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was, ondanks het ontbreken van een tegenberekening door eiser, omdat de gronden van het beroep voldoende waren gemotiveerd. De rechtbank stelde vast dat de invorderingsrente door verweerder conform de wettelijke bepalingen was berekend, waarbij rekening was gehouden met de wettelijke rentepercentages en de bijzondere coronamaatregelen die de rente tijdelijk verlaagden.
Eiser stelde dat de rente lager moest worden vastgesteld en dat deze zelfs nihil moest zijn vanwege door hem geleden schade, maar de rechtbank verwierp deze stellingen omdat er geen wettelijke grondslag bestaat om de invorderingsrente te matigen of te vernietigen uit coulance of schadevergoeding.
De rechtbank concludeerde dat de invorderingsrente correct was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenvergoeding toegewezen. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de berekening van de invorderingsrente wordt ongegrond verklaard en de invorderingsrente is juist vastgesteld.