Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:24376

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
AWB - 25 _ 5191
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 28 Invorderingswet 1990Art. 29 Invorderingswet 1990Art. 2 Besluit belasting- en invorderingsrente
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard tegen berekening invorderingsrente inkomstenbelasting 2014

Eiser maakte bezwaar tegen de invorderingsrente die verweerder in rekening bracht over de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2014. Na gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar door verweerder, stelde eiser beroep in bij de rechtbank. De kern van het geschil betrof de juistheid van de berekening van de invorderingsrente.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was, ondanks het ontbreken van een tegenberekening door eiser, omdat de gronden van het beroep voldoende waren gemotiveerd. De rechtbank stelde vast dat de invorderingsrente door verweerder conform de wettelijke bepalingen was berekend, waarbij rekening was gehouden met de wettelijke rentepercentages en de bijzondere coronamaatregelen die de rente tijdelijk verlaagden.

Eiser stelde dat de rente lager moest worden vastgesteld en dat deze zelfs nihil moest zijn vanwege door hem geleden schade, maar de rechtbank verwierp deze stellingen omdat er geen wettelijke grondslag bestaat om de invorderingsrente te matigen of te vernietigen uit coulance of schadevergoeding.

De rechtbank concludeerde dat de invorderingsrente correct was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenvergoeding toegewezen. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het beroep tegen de berekening van de invorderingsrente wordt ongegrond verklaard en de invorderingsrente is juist vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/5191

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser invorderingsrente in rekening gebracht in verband met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2014.
Verweerder heeft bij uitspraak van bezwaar van 18 juli 2025 het bezwaar van eiser daartegen gedeeltelijk gegrond verklaard en de invorderingsrente verminderd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 24 oktober 2025.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2025.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

Feiten
1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 een aanslag IB/PVV opgelegd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en beroep en hoger beroep aangetekend. Op 25 juni 2024 is, na uitspraak van het gerechtshof Den Haag, het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd en vast komen te staan op € 197.321. De aanslag is overeenkomstig verminderd, hetgeen resulteerde in een openstaand bedrag van € 100.430,00 aan te betalen belasting.
2. Op 21 oktober 2024 heeft eiser een bedrag van € 100.430,00 aan verweerder betaald. Verweerder heeft € 85.319,00 op de aanslag en € 15.111,00 aan rentekosten afgeboekt.
3. Op 7 november 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de rentebeschikking en de invorderingsrente. Op 18 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de invorderingsrente verlaagd tot een bedrag van € 9.524. Hiertoe is aanleiding gezien vanwege de bijzondere omstandigheid dat de inspecteur er zo lang over heeft gedaan de uiteindelijke verminderingsbeschikking op te leggen. Over de periode van 11 oktober 2018 tot 20 januari 2022 waarin werd afgewacht tot een hoorgesprek, is geen invorderingsrente berekend.
Geschil
4. In geschil is of de invorderingsrente op een juist bedrag is vastgesteld.
5. Eiser stelt dat de invorderingsrente moet worden gecorrigeerd tot € 4.944,25, namelijk de rente berekend door eiser over een periode van één jaar en twaalf weken. Eiser stelt verder dat de rente vervolgens naar nihil moet worden teruggebracht vanwege de door eiser geleden schade door het geld wat hij heeft moeten reserveren voor het betalen van de aanslag. Eiser stelt voorts dat verweerder geen berekening van de invorderingsrente heeft overgelegd.
6. Verweerder stelt primair dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het ontbreken van een voldoende motivering en tegenberekening. Subsidiair stelt verweerder dat het beroep ongegrond is, omdat de invorderingsrente juist is vastgesteld en omdat op verweerder geen wettelijke verplichting rust een berekening van de rente bij te voegen.
Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid
7. Ingevolge artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. In artikel 6:6 van Pro de Awb is bepaald dat, wanneer het beroepschrift geen gronden van het beroep bevat, het beroepschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
8. De rechtbank ziet geen aanleiding het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Eiser heeft een beroepschrift ingediend waarin hij zijn standpunten weergeeft. Hieruit volgt voldoende wat de beweegredenen van eiser zijn geweest om beroep in te stellen. Er is aldus geen sprake van het ontbreken van een voldoende motivering. Ook het ontbreken van een tegenberekening maakt dit oordeel niet anders.
Invorderingsrente
9. Artikel 28 van Pro de Invorderingswet 1990 schrijft de berekening van invorderingsrente bij overschrijding van de voor een belastingaanslag geldende betalingstermijn dwingend voor. De strekking van deze regeling brengt mee, dat bij de enkele overschrijding van de betalingstermijn invorderingsrente in rekening wordt gebracht, waarbij rente verschuldigd is over het tijdvak dat aanvangt op de dag waarop de belastingaanslag invorderbaar is en eindigt op de dag voorafgaand aan de betaling.
10. Ingevolge artikel 29 van Pro de Invorderingswet 1990 bedraagt het percentage van de invorderingsrente een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage. Dit percentage is in artikel 2 van Pro het Besluit belasting- en invorderingsrente vastgesteld op 4%. In het kader van de coronamaatregelen is de invorderingsrente bij de Verzamelspoedwet COVID-19 vanaf 23 maart 2020 tot en met 30 juni 2022 verlaagd van 4% naar 0,01%. Vanaf 1 juli 2022 werd de invorderingsrente stapsgewijs verhoogd: 1% vanaf 1 juli 2022, 2% vanaf 1 januari 2023, 3% vanaf 1 juli 2023 en weer 4% sinds 1 januari 2024. Bij gebreke van een berekening door verweerder heeft de rechtbank zelf een berekening gemaakt. Daaruit volgt dat verweerder de invorderingsrente juist en in overeenstemming met de wettelijke bepalingen heeft berekend.
11. Hetgeen eiser heeft aangevoerd doet aan voormeld oordeel niet af. De berekening van eiser zelf kan geen stand houden. De periode waarover invorderingsrente is verschuldigd wordt dwingendrechtelijk gesteld op het in overweging 9 genoemde tijdvak. De berekening van eiser, die slechts ziet op één jaar en twaalf weken en niet op deze volledige periode, is daarom onjuist. Verder begrijpt de rechtbank dat het voor eiser wenselijk was geweest een inzichtelijke berekening van het totale bedrag aan invorderingsrente te ontvangen. Op verweerder rust echter geen wettelijke verplichting deze over te leggen.
12. Eiser heeft verder gesteld dat de invorderingsrente uit coulance zou moeten worden vernietigd. De rechtbank kan dit verzoek niet inwilligen. Het is niet aan de rechtbank om in het coulancebeleid van verweerder te treden, nu dit een discretionaire bevoegdheid is die enkel aan verweerder toekomt. De rechtbank begrijpt dat het voor eiser wellicht onrechtvaardig kan voelen. De rechtbank moet echter rechtspreken volgens de wet en de wet biedt in dit geval geen mogelijkheid om de invorderingsrente te verlagen.
13. Ook het verzoek van eiser om de rente vast te stellen op nihil vanwege de door hem gestelde schade in verband met het gereserveerde geld ter betaling van de aanslag, kan de rechtbank niet inwilligen. Daarvoor geldt eveneens dat er geen wettelijke grondslag is de invorderingsrente om die reden te matigen.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskostenvergoeding
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van J.C.W. Wahls, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).