ECLI:NL:RBDHA:2025:24404
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitsland in Dublinprocedure
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen en hem over te dragen aan Duitsland. De overdracht stond gepland op 19 december 2025, terwijl de zitting in het beroep nog moest plaatsvinden.
Verzoeker stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Duitsland niet kon worden aangenomen vanwege het ontbreken van adequate opvang (bed, bad en brood) en dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met artikel 8 EVRM Pro. Tevens wilde hij samen met zijn familie de Dublinprocedure afwachten.
De minister voerde aan dat het beroep geen redelijke kans van slagen had, dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog steeds geldt ten aanzien van Duitsland, en dat verzoeker vanwege openbare orde aspecten niet samen met zijn familie kon worden overgedragen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft en dat het belang van de minister om verzoeker spoedig over te dragen zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om bij zijn familie te blijven. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de overdracht op 19 december 2025 kan plaatsvinden.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Duitsland wordt afgewezen, waardoor de overdracht kan plaatsvinden.