De minister legde op 22 oktober 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een voorgenomen overdracht aan Duitsland. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 30 oktober 2025 opgeheven na overdracht aan Duitse autoriteiten.
Eiser stelde dat de minister de informatieplicht schond door late indiening van stukken, waaronder een piketmelding en het ontbreken van een standaardformulier melding overdracht. De rechtbank oordeelde dat de meeste stukken tijdig waren ingediend en dat de late indiening niet tot procesbelangschade leidde. De ontbrekende melding werd gecompenseerd door de voortgangsrapportage.
Verder voerde eiser aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelde, waardoor hij twee dagen langer in bewaring bleef. De rechtbank vond echter dat de minister tijdig handelde, met vertrekgesprekken en overdrachtsinformatie binnen redelijke termijnen.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.