ECLI:NL:RBDHA:2025:24484

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
NL25.59224
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring van een EU-onderdaan met ingetrokken verblijfsrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd aan een Hongaarse eiser. De maatregel was gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser, die in Duitsland verblijft en slechts tijdelijk in Nederland was voor vakantie, betwistte de rechtmatigheid van de maatregel, stellende dat hij als EU-onderdaan het recht heeft om vrij te reizen binnen de EU. De rechtbank heeft de zaak op 15 december 2025 behandeld, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was opgelegd, omdat de minister voldoende gronden had om te veronderstellen dat de eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De rechtbank concludeerde dat de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag lagen, voldoende gemotiveerd waren en dat de minister niet had hoeven volstaan met een lichter middel. Het beroep van de eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 18 december 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.59224
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Guman),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G.I. Dandoy. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Hongaarse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996.
Onrechtmatigheid van de maatregel (grondslag)
2. Eiser stelt dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, omdat er geen grond is voor de inbewaringstelling. Hiertoe voert eiser aan dat hij de Hongaarse nationaliteit bezit en dus EU-onderdaan is. Op grond van artikel 20 en 21 van de VWEU heeft hij het recht om vrij te reizen in de EU. Eiser verblijft en werkt in Duitsland. Hij was slechts voor enkele dagen in Nederland voor vakantie. Dit heeft hij ook verklaard in het vertrekgesprek van 5 december 2025. Eiser beoogt geen verblijf in Nederland, aan hem kan dus niet worden tegengeworpen dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft.
3. De rechtbank oordeelt dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd. In het gehoor voor inbewaringstelling (M110) van 2 december 2025 verklaart eiser dat hij nieuw werk zoekt en om die reden naar Nederland is gekomen. Dat eiser later in het
vertrekgesprek van 5 december 2025 hierover anders heeft verklaard, doet hier niet aan af. Eisers EU-verblijfsrecht is in 2023 ingetrokken en eiser, die al drie keer eerder is uitgezet, wordt geacht te weten dat hij de banden met Nederland effectief moet verbreken. Het besluit waarmee eisers EU-verblijfsrecht is ingetrokken geldt dan ook nog steeds. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden onder 3a, 3b, 3c en alle lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Eiser stelt ten aanzien van de zware grond onder 3a dat hij een onderdaan van de EU is en om die reden vrij verkeer tussen de lidstaten geniet. Ten aanzien van de lichte gronden onder 4c en 4d stelt eiser dat hij zich niet hoeft in te schrijven omdat hij geen verblijf in Nederland beoogt en dat hij voldoende middelen heeft.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister de zware gronden onder 3a en 3i en de lichte gronden onder 4c en 4d aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht leggen. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland omdat zijn EU-verblijfsrecht in 2023 is ingetrokken. Daardoor is hij Nederland niet op voorgeschreven wijze binnengekomen. Verder staat eiser niet ingeschreven in het BRP en beschikt eiser niet zelfstandig over voldoende middelen om in zijn levensbehoeften te voorzien, danwel zijn terugkeer te bekostigen. Deze gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De zware gronden onder 3a en 3i en de lichte gronden onder 4c en 4d zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen. De rechtbank laat de overige door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken.
Lichter middel
10. Eiser stelt dat de minister, gelet op het feit dat eiser een EU-onderdaan is, had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring, bijvoorbeeld een meldplicht. Eiser beoogt geen verblijf in Nederland, hij was slechts voor vakantie in Nederland.
11. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Daarbij is eiser al meerdere keren uitgezet en toch weer teruggekeerd naar Nederland, ondanks dat zijn EU-verblijfsrecht is ingetrokken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
12. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.