In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd aan een Hongaarse eiser. De maatregel was gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser, die in Duitsland verblijft en slechts tijdelijk in Nederland was voor vakantie, betwistte de rechtmatigheid van de maatregel, stellende dat hij als EU-onderdaan het recht heeft om vrij te reizen binnen de EU. De rechtbank heeft de zaak op 15 december 2025 behandeld, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was opgelegd, omdat de minister voldoende gronden had om te veronderstellen dat de eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De rechtbank concludeerde dat de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag lagen, voldoende gemotiveerd waren en dat de minister niet had hoeven volstaan met een lichter middel. Het beroep van de eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 18 december 2025.