In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een vrouw en een man, die in een echtscheidingsprocedure verwikkeld zijn. De vrouw, eiseres, verzocht om een gebieds- en contactverbod tegen de man, gedaagde, op basis van eerdere beschuldigingen van geweld en mishandeling. De vrouw vorderde dat de man gedurende 12 maanden geen contact met haar en hun minderjarige zoon mocht hebben en zich binnen een straal van vijf kilometer van hun woonadres en andere belangrijke locaties moest onthouden.
De rechtbank heeft de procedure en de feiten in overweging genomen, waaronder de eerdere rechtszaken en de situatie van de partijen. De vrouw had in het verleden aangifte gedaan van mishandeling door de man, maar de voorzieningenrechter kon niet vaststellen of er op dat moment een concrete dreiging van onrechtmatig handelen door de man bestond. De man verblijft momenteel in het buitenland en er was geen recent contact tussen de partijen, behalve via hun advocaten. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen spoedeisend belang was voor het opleggen van de gevraagde verboden en wees de vorderingen van de vrouw af.
De voorzieningenrechter benadrukte het belang van de minderjarige en drong aan op samenwerking tussen de partijen en hulpverlening om het contact tussen de man en de minderjarige te herstellen. De rechtbank besloot dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt, gezien de familierechtelijke aard van het geschil.