ECLI:NL:RBDHA:2025:24510

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/09/694955 / KG ZA 25-1154
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Waardeloosverklaring hypothecaire inschrijving in kort geding

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen [eiseres] en [gedaagde] B.V. [eiseres] is eigenaar van een woning en wenst deze te verkopen, maar stuit op een hypothecaire inschrijving ten behoeve van [gedaagde] B.V., die in 1997 is ontbonden. De hypothecaire inschrijving staat de eigendomsoverdracht in de weg. [eiseres] vordert de waardeloosverklaring van deze inschrijving, omdat zij meent dat de lening volledig is afgewikkeld en er geen curator meer is om de inschrijving te laten opheffen. De voorzieningenrechter oordeelt dat [eiseres] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de hypothecaire lening is afgelost en dat [gedaagde] B.V. geen vorderingen meer heeft. De voorzieningenrechter verklaart de hypothecaire inschrijving waardeloos, maar verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering tegen [gedaagde] B.V. omdat deze rechtspersoon niet meer bestaat. [eiseres] moet haar eigen proceskosten dragen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/694955 / KG ZA 25-1154
Vonnis in kort geding van 17 december 2025
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats],
eiseres,
advocaat mr. L.H. Hordijk te Capelle aan den IJssel,
tegen:
de ontbonden vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.laatstelijk gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde] B.V.’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 november 2025 met producties 1 tot en met 6;
- de op 12 december 2025 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiseres] is eigenaar van het perceel en de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna de woning).
2.2.
[eiseres] was getrouwd met de heer [naam]. Zij woonden samen in de woning. [naam] was enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde] B.V. Op 2 januari 2013 is [naam] overleden.
2.3.
Omdat [eiseres] de woning wenst te verkopen, heeft zij op 18 oktober 2025 een koopovereenkomst gesloten. De woning dient uiterlijk 30 januari 2026, vrij van hypotheken, te worden geleverd.
2.4.
Naar aanleiding van de gesloten koopovereenkomst heeft de betrokken notaris [eiseres] gewezen op een nog ingeschreven hypotheek. Zolang deze inschrijving niet is doorgehaald kan de eigendomsoverdracht niet plaatsvinden. Uit het uittreksel van het kadaster blijkt dat op de woning een hypotheek ter hoogte van fl. 265.000 ten behoeve van [gedaagde] B.V. is gevestigd. De betreffende hypotheek was gevestigd in het kader van financiering van de eigen woning van [eiseres] en [naam]. [eiseres] heeft nader onderzoek gedaan naar de (status van de) hypotheek.
2.5.
In 1997 is [gedaagde] B.V. failliet verklaard. In de beschikking van 26 november 1997 van de rechtbank Den Haag is te lezen dat het faillissement van [gedaagde] B.V. per die datum is opgeheven, omdat de toestand van de boedel daar aanleiding voor gaf. Uit het historisch uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt dat op 2 december 1997 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon, [gedaagde] B.V., is opgehouden te bestaan met ingang van 26 november 1997, omdat er geen bekende baten meer aanwezig waren.
2.6.
De advocaat van [eiseres] heeft bij de Rechtbank Den Haag en Rotterdam navraag gedaan naar de inhoud van het faillissementsdossier. Nadere informatie heeft hij niet gevonden. De identiteit van de curator heeft de advocaat van [eiseres] evenmin kunnen achterhalen en bij de vennootschap waren naast heer [naam], geen andere partijen betrokken.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de waardeloosverklaring van de hypothecaire inschrijving ten behoeve van [gedaagde] B.V. van 22 oktober 1991, kadastraal bekend [kadastraal kenmerk]. Een en ander met veroordeling van [gedaagde] B.V. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. [eiseres] weet niet beter dan dat de lening volledig is afgewikkeld. Zij, althans haar advocaat, heeft getracht informatie boven water te krijgen met betrekking tot het bestaan van de hypotheek van fl. 265.000, maar dat is niet gelukt. De enige partij tot wie [eiseres] zich in verband met het faillissement nog had kunnen wenden, is de curator. Het is niet gelukt de curator te identificeren. [gedaagde] B.V. is failliet verklaard en de curator heeft de boedel verdeeld. Het ligt volgens [eiseres] niet in de lijn der verwachting dat de curator een hypotheek ter hoogte van fl. 265.000 ten behoeve van de failliete vennootschap niet heeft meegenomen in de vereffening van de boedel. Er moet worden aangenomen dat de schuld waarvoor het hypotheekrecht is gevestigd geheel is afgelost.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vordering, nu zij niet aan haar verplichting om de woning op 30 januari 2026 aan de koper(s) te leveren kan voldoen, zolang het hypotheekrecht nog niet is doorgehaald. Zij loopt daarbij het risico dat zij een aanzienlijke boete verbeurt.
4.2.
In artikel 3:274 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een schuldeiser aan de rechthebbende verplicht is om aan de rechthebbende op diens verzoek en kosten bij authentieke akte een verklaring af te geven dat de hypotheek is vervallen. In dit geval is [gedaagde] B.V. opgehouden te bestaan en dus kan hij de gevraagde verklaring niet afgeven. In lid 3 van artikel 3:274 BW is bepaald dat artikel 3:29 BW van toepassing is indien de vereiste verklaring niet wordt afgegeven. Op grond van artikel 3:29 lid 1 BW kan de rechter de inschrijving op vordering van de onmiddellijk belanghebbende waardeloos verklaren, indien de vereiste verklaring niet wordt afgegeven.
4.3.
Uit hetgeen [eiseres] naar voren heeft gebracht, waarop logischerwijs geen verweer is gevoerd, blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter genoegzaam dat de hypotheeklening is afgewikkeld. [eiseres] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gedaan om nadere informatie te verkrijgen en uit de door haar verkregen informatie is niet gebleken dat er nog een vordering uit het hypotheekrecht zou kunnen (moeten) volgen. Het is niet aannemelijk dat de curator het hypotheekrecht destijds niet heeft opgemerkt en niet volledig heeft meegenomen in de vereffening van de boedel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee voldoende aannemelijk dat [gedaagde] B.V. niets meer te vorderen heeft van [eiseres]. Dit wordt nog eens bevestigd door het feit [gedaagde] B.V. – blijkens het historisch uittreksel van het register van de Kamer van Koophandel – al sinds 26 november 1997 is opgehouden te bestaan, omdat er geen bekende baten meer aanwezig waren en door het feit dat haar enig bestuurder en aandeelhouder al in 2013 overleden is. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding voor een heropening van de vereffening van [gedaagde] B.V. teneinde de status van de nog ingeschreven hypotheek nader te laten onderzoeken.
4.4.
In het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor de gevorderde waardeloosverklaring van de hypotheek.
4.5.
Ter zitting is – in het kader van eventueel te verlenen verstek – met [eiseres] gesproken over het oproepen van [gedaagde] B.V. De voorzieningenrechter merkt echter bij wijze van voortschrijdend inzicht op dat [eiseres] feitelijk een niet meer bestaande partij heeft gedagvaard. [gedaagde] B.V. is immers in 1997 al opgehouden te bestaan. Een niet meer bestaande rechtspersoon kan geen partij zijn in een procedure en zodoende ook niet worden gedagvaard. Formeel zal [eiseres] daarom in haar vordering tegen [gedaagde] B.V. niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.6.
[eiseres] is daarentegen wel als onmiddellijk belanghebbende in de zin van artikel 3:29 lid 1 BW aan te merken en heeft er een zelfstandig belang bij om de inschrijving van het hypotheekrecht waardeloos te laten verklaren. Immers is – zoals de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen – voldoende aannemelijk dat het hypotheekrecht van [gedaagde] B.V. teniet is gegaan, kan [gedaagde] B.V. de verklaring zoals bedoeld in artikel 3:274 lid 1 BW zelf niet afgeven en heeft [eiseres] een spoedeisend belang bij haar vordering. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de hypothecaire inschrijving waardeloos verklaren.
4.7.
Omdat [gedaagde] B.V. niet meer bestaat zal [eiseres] haar eigen proceskosten moeten dragen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering jegens [gedaagde] B.V.;
5.2.
verklaart de hypothecaire inschrijving ten behoeve van [gedaagde] B.V. van 22 oktober 1991, kadastraal bekend [kadastraal kenmerk], waardeloos in de zin van artikel 3:29 BW;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
bepaalt dat [eiseres] haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.
lp