ECLI:NL:RBDHA:2025:24514

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
693760
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over ontruiming van huurwoning na ontbinding huurovereenkomst

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 7 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een huurder, aangeduid als '[eiser]', en de Stichting Vidomes, de verhuurder. De huurder had een woning gehuurd van Vidomes sinds 13 maart 1997. De kantonrechter had eerder op 9 oktober 2025 de huurovereenkomst ontbonden en de huurder veroordeeld om de woning binnen 14 dagen te ontruimen, omdat hij zijn buurman lichamelijk letsel had toegebracht, wat volgens de kantonrechter een schending van zijn verplichtingen als huurder betekende.

De huurder heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter en verzocht om de uitvoerbaarheid bij voorraad van dat vonnis te schorsen. Vidomes had aangekondigd de woning op 13 november 2025 te ontruimen. In het kort geding vorderde de huurder dat de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter opschort totdat het gerechtshof een uitspraak in het hoger beroep had gedaan.

De voorzieningenrechter heeft de vordering van de huurder afgewezen. De rechter oordeelde dat de beslissing van de kantonrechter begrijpelijk was en niet op een kennelijke misslag berustte. De voorzieningenrechter concludeerde dat de belangenafweging niet in het voordeel van de huurder uitviel, ondanks zijn argumenten over de moeilijkheid om een nieuwe woning te vinden en zijn psychische problemen. De huurder werd veroordeeld in de proceskosten van Vidomes, die op € 1.607,- werden begroot.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/693760 / KG ZA 25-1055
Vonnis in kort geding van 7 november 2025
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. T. Venneman te Den Haag ,
tegen:
Stichting Vidomeste Delft,
gedaagde,
advocaat mr. I.M.M. Versloot te Rotterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘Vidomes’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door Vidomes overgelegde conclusie van antwoord met producties;
- de door [eiser] overgelegde nadere producties;
- de door Vidomes overgelegde nadere productie;
- de op 6 november 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eiser] pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Op 7 november 2025 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 14 november 2025.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] huurt sinds 13 maart 1997 van (de rechtsvoorganger van) Vidomes een woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
2.2.
De kantonrechter heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 9 oktober 2025 de huurovereenkomst ontbonden en [eiser] veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis de woning de ontruimen. Die beslissing heeft de kantonrechter gebaseerd op het oordeel dat vast is komen te staan dat [eiser] een confrontatie heeft gehad met zijn buurman en daarbij de buurman lichamelijk letsel heeft toegebracht. Volgens de kantonrechter heeft [eiser] hiermee zijn wettelijke en contractuele verplichting om zich als goed huurder te gedragen geschonden. Dit rechtvaardigt, aldus de kantonrechter de door Vidomes gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst.
2.3.
[eiser] heeft op 24 oktober 2025 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter en in incident gevorderd om de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis te schorsen. Er is nog geen datum voor het vonnis in het incident bepaald.
2.4.
Vidomes heeft aangekondigd de woning van [eiser] op 13 november 2025 te ontruimen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter
I. bepaalt dat de uitvoerbaarheid bij voorraad, althans de ten uitvoerlegging van het vonnis van 9 oktober 2025 wordt opgeschort totdat het gerechtshof een einduitspraak, althans een uitspraak in het incident heeft gedaan, en
II. Vidomes veroordeelt om het vonnis van 9 oktober 2025 niet ten uitvoer te leggen. op straffe van een dwangsom van € 25.000,-.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [eiser] stelt zich allereerst op het standpunt dat Vidomes haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter misbruikt, nu dit vonnis berust op een kennelijke feitelijke en juridische misslag. Het is volgens [eiser] evident niet terecht en ook onbegrijpelijk dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat hij zijn buurman heeft mishandeld. Daarnaast meent [eiser] dat zijn (spoedeisend) belang bij behoud van zijn woning zwaarder weegt dan het belang van Vidomes bij onmiddellijke ten uitvoerlegging van het vonnis. Hij wijst er in dit verband op dat hij niet binnen afzienbare tijd een nieuwe woning kan krijgen. Bovendien heeft hij ook gelet op in het verleden ervaren psychische problemen belang bij behoud van zijn woning.
3.3.
Vidomes voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat bij de in dit executiegeschil te maken belangenafweging, behoudens in het geval van een kennelijke feitelijke of juridische misslag, uit moet worden gegaan van de beslissing van de kantonrechter en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen en dat de kans van kans van slagen van het door [eiser] ingestelde hoger beroep buiten beschouwing blijft.
4.2.
De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in zijn stelling dat het vonnis van de kantonrechter berust op een kennelijke misslag. [eiser] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter en de motivering daarvan, maar die beslissing is op zich begrijpelijk en niet evident onjuist.
4.3.
De afwegingen van de belangen van partijen kan ook niet tot het oordeel leiden dat Vidomes nog niet tot ontruiming van de woning mag overgaan.
4.4.
Hoewel de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in het vonnis van 9 oktober 2025 niet van een uitdrukkelijke motivering is voorzien, volgt uit onderdeel 4.11 van dat vonnis dat de kantonrechter bij haar beslissing wel degelijk heeft stil gestaan bij het belang van [eiser] om – simpel gezegd – een dak boven zijn hoofd te hebben. In dat verband heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat [eiser] niet heeft weersproken dat hij zeer waarschijnlijk binnen afzienbare tijd een nieuwe woning zal kunnen krijgen omdat hij al lange tijd staat ingeschreven als woningzoekende. Gelet hierop heeft de kantonrechter een ontruimingstermijn van veertien dagen na betekening van het vonnis redelijk geacht.
4.5.
[eiser] heeft in dit kort geding geen (nieuwe) feiten en omstandigheden naar voren gebracht die rechtvaardigen dat de belangenafweging nu wel in zijn voordeel moet uitvallen. Weliswaar stelt hij dat hij niet op korte termijn een ander woning kan vinden en daarom bij een ontruiming op straat zal komen te staan, maar die stelling heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt. Volgens Vidomes werden er op 4 november 2024 vijftien woningen aangeboden die pasten bij de huurprijsklasse, de samenstelling van het huishouden en het verzamelinkomen van [eiser]. Vidomes heeft er bovendien op gewezen dat aan [eiser] een extra inschrijfduur van vijf jaar wordt toegekend (bovenop de inschrijfduur van circa vijf jaar), omdat de tijd dat hij in de woning woont langer is dan de tijd dat hij als woningzoekende staat ingeschreven. [eiser] heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Ook is onvoldoende gebleken dat de psychische toestand van [eiser] onomkeerbaar zal verslechteren als de aangekondigde ontruiming doorgaat. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit de overgelegde stukken volgt dat de huidige woonsituatie nu juist de oorzaak is van de door [eiser] ervaren gezondheidsproblemen.
4.6.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.
4.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Vidomes worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 715,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
totaal € 1.607,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vordering van [eiser] af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.607,- , te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.
EI