Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
a) faillissement of surseance van betaling van één van partijen of aanvrage daartoe;
Rechtbank Den Haag
Partijen zijn in 2005 onder huwelijkse voorwaarden getrouwd en hebben een minderjarige dochter. Na echtscheiding in 2023 is een convenant overeengekomen waarin de vrouw het exclusieve gebruiksrecht van de woning van de man kreeg voor maximaal twee jaar na vertrek van de man op 1 januari 2024.
De man vordert nakoming van het convenant en ontruiming van de woning door de vrouw uiterlijk 31 december 2025, met dwangsom bij niet-nakoming. De vrouw betwist de termijn en stelt dat zij mag blijven tot de meerderjarigheid van de dochter en dat het gebruiksrecht niet eindigt door het geregistreerd partnerschap van de man.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het convenant bindend is en de termijn van twee jaar geldt, startend 1 januari 2024, dus uiterlijk 1 januari 2026. Het gebruiksrecht eindigt niet door het geregistreerd partnerschap van de man, maar mogelijk wel bij dat van de vrouw. Gezien het belang van de minderjarige dochter wordt de termijn verlengd tot 1 juli 2026. De vordering tot overdracht van roerende zaken, waaronder vissen, wordt afgewezen wegens onvoldoende specificatie. Iedere partij draagt eigen proceskosten.
Uitkomst: De vrouw moet de woning uiterlijk 1 juli 2026 verlaten en zich uitschrijven, met dwangsom bij niet-nakoming.