De minister heeft op 7 augustus 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, die van Algerijnse nationaliteit is. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 12 december 2025 via telehoor, waarbij eiser op het detentiecentrum aanwezig was.
De rechtbank toetste het voortduren van de maatregel aan de hand van wat er sinds het vorige onderzoek op 31 oktober 2025 is gebeurd. Eiser betoogde dat de minister niet voortvarend genoeg was in het realiseren van zijn uitzetting, ondanks bevestiging van zijn nationaliteit op 22 november 2025 en een vluchtreservering voor 29 december 2025. Volgens eiser gaf deze reservering geen zicht op daadwerkelijke uitzetting, mede door afhankelijkheid van Algerijnse en Belgische autoriteiten.
De rechtbank oordeelde dat de minister sinds het vorige onderzoek meerdere vertrekgesprekken heeft gevoerd en de lp-aanvraag actief heeft nagestreefd. De vlucht is op 1 december 2025 aangevraagd en goedgekeurd, gepland voor 29 december 2025. Capaciteitsproblemen op de luchthaven Brussel verklaarden eerdere vertragingen, waarbij de minister niet afhankelijk is van Belgische maar wel van Algerijnse autoriteiten. De rechtbank achtte dit voldoende voortvarend handelen.
Verder verwierp de rechtbank het verzoek van eiser om een lichter middel dan bewaring, zoals een meldplicht met vrijheidsbeperking, omdat eiser onvoldoende redenen had aangevoerd. Ook over de presentatieplicht volgde de rechtbank de minister, die afhankelijk is van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.