ECLI:NL:RBDHA:2025:24550

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
NL25.58684
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de bewaring van een vreemdeling. De eiser, die in bewaring was gesteld op 3 maart 2025 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring op 13 november 2025 door de minister van Asiel en Migratie is opgeheven. De rechtbank heeft besloten dat een zitting niet nodig was en het onderzoek op 5 december 2025 gesloten. De kern van de zaak was of de bewaring onrechtmatig was geweest en of de eiser recht had op schadevergoeding. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de bewaring tot het sluiten van het onderzoek op 22 oktober 2025 rechtmatig was en dat de periode van 22 oktober tot 13 november 2025 de enige relevante periode was voor de beoordeling van de rechtmatigheid. De rechtbank heeft geoordeeld dat de belangenafweging van de minister, die leidde tot de opheffing van de maatregel, voldoende was gemotiveerd en niet in strijd was met het Unierecht. Het beroep van de eiser is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58684

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 3 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 13 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 5 december 2025 gesloten.

Overwegingen

Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder meermalen heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 oktober 2025 (in de zaak NL25.49523) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 22 oktober 2025 tot de opheffing van de maatregel op 13 november 2025.
Belangenafweging opheffing maatregel
3. Eiser voert aan dat de feitelijke en juridische gronden waarop de belangenafweging van 13 november 2025 is gemaakt (en die in het voordeel van eiser is uitgevallen en heeft geleid tot de opheffing van de maatregel van bewaring), niet kenbaar zijn. Deze belangenafweging is dan ook in strijd met het Unierecht. [1] Daarnaast wijkt deze belangenafweging niet wezenlijk af van de verzwaarde belangenafweging van 24 juli 2025, die (ondanks dat de situatie van eiser hetzelfde was als nu) toen wél in zijn nadeel was uitgevallen. De Gambiaanse autoriteiten hebben namelijk al op 21 juli 2025 aan verweerder laten weten dat eisers identiteit en nationaliteit niet kunnen worden bevestigd en dat er onvoldoende informatie is om zijn nationaliteit vast te stellen. Dit maakt dan ook dat zowel het laten voortduren van de maatregel sinds 21 juli 2025 als de opheffing ervan arbitrair is. Hiermee heeft verweerder in strijd gehandeld met het verbod op willekeur. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser (naar de rechtbank begrijpt) ook nog naar een zaak van een andere vreemdeling waarin verweerder een schadevergoeding heeft aangeboden.
4. De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige beroep de te toetsen periode enkel de periode beslaat van 22 oktober 2025 tot 13 november 2025. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of de maatregel van bewaring eerder dan 22 oktober 2025 onrechtmatig was of heeft voortgeduurd.
5. Uit de voortgangsrapportage van 13 november 2025 volgt dat op 13 november 2025 is besloten de bewaring op te heffen in het kader van een belangenafweging. Verweerder motiveert dit als volgt:

Betrokkene verblijft sinds 3 maart 2025 onder artikel 59 lid 1a in bewaring (bijna 9 maanden). Bij een afweging van belangen, vallen deze in het voordeel van betrokkene uit. Betrokkene werkt mee aan de vertrekgesprekken, maar werkt niet mee aan terugkeer naar Gambia, zie verlengingsbesluit voor een nadere toelichting. Echter kan zijn nationaliteit niet worden vastgesteld door de autoriteiten door onvoldoende informatie. Nadat betrokkene reeds een aantal maanden op zijn verantwoordelijkheid is gewezen om zijn terugkeer te realiseren, valt het te betwijfelen of het verder aanhouden van de bewaringsmaatregel alsnog het gewenste resultaat zal opleveren, namelijk dat betrokkene zijn identiteit middels documenten zal aantonen en dat hij binnen redelijke termijn zal terugkeren. De belangenafweging is derhalve in het voordeel van betrokkene uitgevallen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende kenbaar gemaakt waarom de belangenafweging van 13 november 2025 in het voordeel van eiser is uitgevallen. Het is de rechtbank niet van omstandigheden gebleken waaruit volgt dat verweerder de maatregel van bewaring eerder had moeten opheffen. De enkele niet-onderbouwde verwijzing naar een zaak van een andere vreemdeling maakt dit niet anders. Er is ook geen sprake van strijd met het verbod van willekeur. Een belangenafweging vergt maatwerk, en valt eerder in het voordeel van eiser uit naarmate de maatregel langer voortduurt. Het laten voorduren en het opheffen van de maatregel was dan ook niet arbitrair, maar verweerder heeft in beide gevallen blijk gegeven van een kenbare motivering die de rechtbank ook kan volgen.
6. Gezien het voorgaande slaagt de beroepsgrond van eiser niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van opheffing ervan op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320.