ECLI:NL:RBDHA:2025:24551

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/09/694507/ KG ZA 25-1119
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot verzekeringsdekking voor waterschade door jacuzzi afgewezen

In deze zaak vordert de vennootschap onder firma [eisers sub 1] en haar vennoten, vertegenwoordigd door advocaat mr. A.P. van Knippenbergh, van Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V., vertegenwoordigd door advocaat mr. J.A.A. van Beek, dat de verzekeraar dekking verleent voor waterschade die is ontstaan door een defecte jacuzzi. De rechtbank heeft op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding, waarin de eisers stellen dat de schade onder de dekking van hun verzekering valt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de jacuzzi niet is aangesloten op de waterleiding en dat de schade niet onder de dekking valt zoals beschreven in de polisvoorwaarden. De eisers hebben eerder schadevergoeding ontvangen voor een vergelijkbaar voorval, maar de verzekeraar heeft nu geweigerd dekking te verlenen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de kans dat de eisers in een bodemprocedure gelijk krijgen, zeer klein is. De vorderingen van de eisers worden afgewezen, en zij worden veroordeeld in de proceskosten van € 4.280,00.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/694507/ KG ZA 25-1119
Vonnis in kort geding van 19 december 2025
in de zaak van

1.de vennootschap onder firma [eisers sub 1] te [vestigingsplaats], en haar vennoten:

2.
[eisers sub 2]te [woonplaats 1],
3.
[eisers sub 3]te [woonplaats 2],
eisers,
advocaat mr. A.P. van Knippenbergh te Best,
tegen:
Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. J.A.A. van Beek te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eisers sub 1]’ en ‘Nationale-Nederlanden’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 december 2025 met producties 1 tot en met 14;
- de conclusie van antwoord met producties A tot en met K;
- de aanvullende producties 15 tot en met 18 namens [eisers sub 1];
- de op 12 december 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eisers sub 1] pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eisers sub 1] is een onderneming in de wellnessbranche. Zij exploiteert een privé sauna. Zij heeft een pand met daarin twee (sauna)ruimtes die zij apart van elkaar kan verhuren. In beide ruimtes staat onder meer een jacuzzi. De jacuzzi’s zijn niet aangesloten op de water- en/of afvoerleiding(en).
2.2.
Met behulp van haar (voormalig) verzekeringstussenpersoon, [tussenpersoon], heeft [eisers sub 1] meerdere verzekeringen bij Nationale-Nederlanden afgesloten, waaronder een gebouwverzekering, een inventaris-/goederenverzekering en een bedrijfsschadeverzekering. In artikel 1.3 van alle bijbehorende polisvoorwaarden wordt de omvang van de dekking omschreven.
2.3.
Op 20 maart 2025 heeft [eisers sub 1] bij UW Assuradeuren, de gevolmachtigde van Nationale-Nederlanden, melding gemaakt van waterschade als gevolg van schade aan één van de jacuzzi’s. Naar aanleiding van de schademelding is Stichting Salvage ingeschakeld en deze partij heeft onder meer gerapporteerd:
“Ernstige schade aan opstal en inventaris door uitgestroomd water van de jacuzzi (~1500 L). (…) Schade aan opstal ziet voornamelijk op vocht in wanden, vloer, plafond en elektra en inventaris betreft jacuzzi, bed en overige inventaris die nat is geworden. Door schade en ook door kortsluiting in de elektrische installatie kan gedupeerde niet open en heeft zij inmiddels meerdere reserveringen geannuleerd.”
2.4.
Naar aanleiding van de schademelding heeft Nationale-Nederlanden Sedgwick Nederland B.V. (hierna: Sedgwick) ingeschakeld voor onderzoek. Sedgwick heeft op haar beurt I-TEK B.V. (hierna: I-TEK) ingeschakeld voor technisch onderzoek aan de jacuzzi. Sedgwick is op 4 april 2025 samen met een onderzoeker van I-TEK ter plaatse geweest. Op 23 april 2025 rapporteerde Sedgwick onder meer:
Regresadvies
Er zijn meerdere defecten gevonden. Allereerst zal moeten worden bepaald welk defect de onderhavige schade heeft veroorzaakt. Het is onzeker of dit met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld.
Het lijkt erop dat er twee mogelijke oorzaken zijn aan te wijzen voor het ontstaan van de defecten:
1.
Het defect kan zijn ontstaan door de aanwezigheid van vocht. Hiervoor is echter niet één enkele oorzaak aan te wijzen.
a.
De aanwezigheid van vocht lijkt enerzijds veroorzaakt te zijn door niet goed aangedraaide wartels. Dit impliceert dat sprake is van een installatiefout. Hiervoor dient dan ook aangetoond te worden dat de wartels na installatie (bijvoorbeeld door onjuist gebruik van de jacuzzi) niet kunnen zijn losgeraakt. Het zal in onze optiek lastig worden dit bewijs te leveren.
b.
Anderzijds lijkt de aanwezigheid van het vocht veroorzaakt te zijn door de scheur in de kuip. De oorzaak van deze scheur en aan wie dit te verwijten is, is niet bekend en zal niet meer kunnen worden achterhaald.
c.
Een combinatie van deze twee oorzaken is eveneens goed mogelijk.
2.
Het defect kan ook zijn ontstaan door een niet goed aangesloten fasedraad. Dit impliceert dat sprake is van een installatiefout.
3.
Een combinatie van deze oorzaken kan ook niet worden uitgesloten.
Er zijn meerdere gebreken vastgesteld die alle, in meerdere of mindere mate, in verband kunnen staan tot het ontstaan van het defect. Wij verwachten niet dat door middel van een aanvullend onderzoek het defect en de oorzaak (of oorzaken) van dit defect onomstotelijk kunnen worden vastgesteld. Voor zover dit al zou lukken, zal ook nog eens moeten worden bewezen dat deze oorzaak of oorzaken verband houdt (of houden) met onzorgvuldig handelen of nalaten. (…)
Al met al achten wij, vanwege de aanwezigheid van meerdere gebreken en de onzekere uitkomst van een technisch vervolgonderzoek, de kans erg klein dat met het uitvoeren van een dergelijk onderzoek die bewijzen zullen worden verkregen die noodzakelijk zijn om succesvol regres te voeren.”
2.5.
Op 28 april 2025 heeft Nationale-Nederlanden, althans UW Assuradeuren, aan [eisers sub 1] bericht dat er voor de schade geen dekking onder de verzekeringen is. Zo valt – kort gezegd – waterschade door een jacuzzi in dit geval niet onder de dekking van de verzekering. In reactie daarop heeft Claimshulp B.V. in opdracht van [eisers sub 1] er bij brief van 13 mei 2025 op gewezen dat volgens [eisers sub 1] wel sprake is van dekking en dat een eerdere vergelijkbare schade uit 2024 wel onder de dekking viel. Ook is namens [eisers sub 1] het standpunt ingenomen dat [eisers sub 1] een verzekering heeft afgesloten specifiek voor een wellnessbedrijf en dat een jacuzzi in dat kader heel gebruikelijk is.
2.6.
Op 22 augustus 2025 is namens Nationale-Nederlanden bericht dat het eerder ingenomen dekkingsstandpunt gehandhaafd blijft. Daarbij is vermeld dat in de betreffende artikelen van de polisvoorwaarden is bepaald dat uitsluitend schade is gedekt veroorzaakt door in de betreffende artikelen genoemde oorzaken. Volgens Nationale-Nederlanden kwalificeert de jacuzzi niet als een verwarmingsinstallatie in de zin van de betreffende bepalingen. Voorts was de betreffende jacuzzi niet aangesloten op een vaste waterleiding of afvoer. Over de schade uit 2024 is opgemerkt dat het in dat geval ging om een situatie die eigenlijk ook niet was gedekt en dat die schade onterecht is vergoed.
2.7.
De advocaat van [eisers sub 1] heeft Nationale-Nederlanden op 1 oktober 2025 nogmaals verzocht om dekking te verlenen. Op 21 oktober 2025 heeft Nationale-Nederlanden laten weten haar eerdere standpunt te handhaven. Zodoende is [eisers sub 1] op 3 december 2025 overgegaan tot dagvaarden.

3.Het geschil

3.1.
[eisers sub 1] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. Nationale-Nederlanden te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis alsnog verzekeringsdekking te verlenen voor het voorval op 20 maart 2025, op straffe van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat dekking uitblijft, met een maximum van € 150.000;
2. Nationale-Nederlanden te verplichten binnen acht dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot het voldoen van een voorschot van € 50.000,- aan [eisers sub 1], althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
3. Nationale-Nederlanden te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert [eisers sub 1] – samengevat – het volgende aan. Nationale-Nederlanden stelt zich op het standpunt dat schade als gevolg van water dat wegstroomt uit een jacuzzi is uitgesloten in de polisvoorwaarden, omdat een jacuzzi weliswaar beschikt over een verwarmingselement, maar geen verwarmingsinstallatie is in de zin van een centrale verwarming. Volgens [eisers sub 1] kan deze afwijzing geen stand houden, omdat Nationale-Nederlanden een definitie over een verwarmingsinstallatie hanteert die niet is terug te voeren op de polisvoorwaarden. De jacuzzi kan als verwarmingsinstallatie worden geduid, namelijk voor het verwarmen van het daarin aangebrachte water. De uitleg en afwijzing van Nationale-Nederlanden zijn, met name indachtig de strekking van de verzekeringsaanvraag voor de onderneming van [eisers sub 1], namelijk wellness met jacuzzi’s, in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
3.3.
[eisers sub 1] heeft een offerte laten opmaken voor herstelwerkzaamheden. Dergelijke werkzaamheden zullen in overeenstemming met de opgevraagde offerte meer dan € 60.000 kosten. [eisers sub 1] heeft spoedeisend belang bij het (laten) uitvoeren van herstelwerkzaamheden, want de schade loopt verder op. Eén van de ruimtes is geheel niet inzetbaar, wat voor een verlieslatende exploitatie van de onderneming zorgt. Er is inmiddels sprake van vocht- en schimmelproblemen in het pand. Hiermee groeit het risico op complete afschrijving van de inboedel en inventaris. [eisers sub 1] heeft een concreet en dringend belang bij (gedeeltelijke) uitkering, zodat zij haar bedrijfsvoering volledig kan hervatten. Er is geen sprake van een restitutierisico, omdat [eisers sub 1] een lopende bedrijfsvoering heeft.
3.4.
Nationale-Nederlanden voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Nationale-Nederlanden betwist dat [eisers sub 1] een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft, omdat [eisers sub 1] – kort gezegd – zelf over financiële middelen lijkt te beschikken om de schade te laten herstellen. Er is sprake van een spoedeisend belang als in redelijkheid niet kan worden gevergd dat de uitkomst van een bodemprocedure wordt afgewacht. [eisers sub 1] heeft in dat kader toegelicht dat zij één van de twee saunaruimtes heeft kunnen herstellen en die ruimte sinds mei 2025 weer kan verhuren. Voor het herstel van de tweede saunaruimte is, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter, momenteel onvoldoende budget beschikbaar. Doordat slechts één van de twee ruimtes kan worden verhuurd, genereert [eisers sub 1] minder omzet dan in de normale situatie. Mede hierdoor is er geen geld beschikbaar voor herstel van de tweede saunaruimte. [eisers sub 1] houdt anders te weinig geld over voor haar gewone bedrijfsvoering. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet van [eisers sub 1] worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
4.2.
De centrale vraag in dit kort geding is of Nationale-Nederlanden dekking moet verlenen onder de polis. De voorzieningenrechter stelt hierbij voorop dat het uitgangspunt is dat de rechter in kort geding zich richt naar de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure. De voorzieningenrechter moet dus beoordelen of het in hoge mate te verwachten is dat een vordering ook in de bodemprocedure zal worden toegewezen en of het daarbij passend is om bij wijze van voorlopige voorziening op de bodembeslissing vooruit te lopen.
4.3.
De discussie van partijen spitst zich toe op (de uitleg van) het artikel over de dekking als gevolg van water- en stoomschade zoals opgenomen in de diverse polisvoorwaarden van de door [eisers sub 1] afgesloten verzekeringen. [eisers sub 1] voert voorafgaand aan die discussie aan dat Nationale-Nederlanden dekking niet kan weigeren op grond van het betreffende artikel in de polisvoorwaarden, omdat de oorzaak van het ontstaan van de schade niet definitief is vastgesteld. De rapporten van Sedgwick en I-TEK geven daar geen uitsluitsel over. Bovendien zou Nationale-Nederlanden hebben geweigerd om, in overeenstemming met artikel 1.7.1 van de algemene verzekeringsvoorwaarden, een derde expert in te schakelen om de oorzaak definitief vast te stellen. Daarmee heeft Nationale-Nederlanden volgens [eisers sub 1] in strijd met de verzekeringsvoorwaarden gehandeld. Ter zitting heeft [eisers sub 1] in het verlengde hiervan aangevoerd dat hierdoor iedere dekkingsdiscussie in haar voordeel moet worden uitgelegd. Nationale-Nederlanden weerspreekt dit.
4.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat sprake is van waterschade door een jacuzzi. Dat er water uit de jacuzzi is gelopen en dat dát schade heeft veroorzaakt is voldoende duidelijk. Hoe water uit de jacuzzi heeft kunnen lekken dan wel stromen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet relevant. De vaststelling dat het water afkomstig is uit de jacuzzi is, gelet op de polisvoorwaarden, genoeg om te kunnen beoordelen of de schade onder de dekking valt. Dat Nationale-Nederlanden geweigerd zou hebben om een derde expert in te schakelen, hetgeen overigens door Nationale-Nederlanden is betwist, maakt dat niet anders. Bovendien kan daarmee niet worden gesproken van handelen in strijd met de verzekeringsvoorwaarden. Het artikel waar [eisers sub 1] zich op beroept, ziet namelijk op het vaststellen van de omvang van de schade en niet op het vaststellen van de oorzaak ervan. Aan het vaststellen van de omvang van de schade zijn partijen (nog) niet toegekomen.
4.5.
Voorgaande betekent dat met deze stand van zaken door Nationale-Nederlanden wel een dekkingsbeoordeling kon plaatsvinden. Het artikel over water- en stoomschade zoals opgenomen in de diverse polisvoorwaarden luidt als volgt [1] :
“Gedekt is schade die is veroorzaakt door:
a. Water en/of stoom onvoorzien weggestroomd uit uw waterleiding-, verwarmings-airconditioning- of sprinklerinstallatie; of
b. Water dat onvoorzien is gestroomd uit aan- en afvoerleidingen en/of toestellen die zijn aangesloten op deze installaties; of
c. Water dat onvoorzien is overgelopen uit de installaties en of toestellen die genoemd staan onder a en b.”
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de jacuzzi van [eisers sub 1]
nietis aangesloten op de water- en/of afvoerleiding(en), waardoor geen sprake is van een situatie zoals beschreven onder b. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de jacuzzi valt onder het begrip ‘verwarmingsinstallatie’ zoals bedoeld onder a. [eisers sub 1] stelt in dat kader dat de jacuzzi een verwarmingselement bevat en daarmee het water in de jacuzzi verwarmt en daarmee als verwarmingsinstallatie kwalificeert. Nationale-Nederlanden weerspreekt dit en voert aan dat met een verwarmingsinstallatie – in het algemeen spraakgebruik – wordt gedoeld op een vaste installatie waarmee (een deel van) een gebouw wordt verwarmd. Bovendien moet een verwarmingsinstallatie worden onderscheiden van een verwarmingselement, omdat een verwarmingselement geen zelfstandig apparaat is, maar slechts een onderdeel is van een ander apparaat. Het verwarmingselement uit een jacuzzi laat zich ook niet op dezelfde wijze aansluiten op andere apparaten en is naar zijn aard alleen bestemd om te functioneren binnen de jacuzzi.
4.6.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is een jacuzzi geen ‘verwarmingsinstallatie’ in de letterlijke betekenis van het woord. Een jacuzzi heeft weliswaar een verwarmingselement dat het water in een jacuzzi verwarmt, maar daarmee is een jacuzzi an sich geen verwarmingsinstallatie of een onderdeel daarvan, die als zodanig een ruimte verwarmt. Dit is wel de betekenis van een verwarmingsinstallatie. Het betoog dat een jacuzzi – zoals [eisers sub 1] stelt – niet specifiek is uitgesloten van dekking en daarom wél onder de dekking valt, volgt de voorzieningenrechter niet. Dat iets niet specifiek is uitgesloten betekent in het algemeen niet dat het daarom is ingesloten. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet haalbaar dat in de verzekeringsvoorwaarden alle mogelijke specifieke uitsluitingen worden opgenomen. Door voor bepaalde gevallen en situaties een dekkingsomschrijving te geven, worden zaken die niet onder die omschrijving vallen ook uitgesloten. Het beroep op de contra proferentem regel baat [eisers sub 1] niet. Zij is immers geen consument maar een onderneming, en bovendien acht de voorzieningenrechter de gebruikte begrippen ook niet zodanig onduidelijk dat een beroep op deze regel kan worden gedaan.
4.7.
[eisers sub 1] stelt in het verlengde van het voorgaande dat in dit geval bij de uitleg van het begrip ‘verwarmingsinstallatie’ rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat zij een specifieke ‘wellnessverzekering’ heeft afgesloten en dat het in de wellnessbranche heel gebruikelijk is dat er een of meerdere jacuzzi’s aanwezig zijn. Die context en uitleg brengen volgens [eisers sub 1] mee dat een jacuzzi wél onder het begrip ‘verwarmingsinstallatie’ valt. Nationale-Nederlanden ontkent dat met haar wetenschap met [eisers sub 1] een zogeheten wellnessverzekering is afgesloten. De voorzieningenrechter volgt [eisers sub 1] niet in haar betoog. Immers baseert zij haar stelling uitsluitend op een (ongedateerde) e-mail van de gevolmachtigde van Nationale-Nederlanden aan [tussenpersoon] waarin is te lezen:
“Wij hebben van Nationale Nederlanden te horen gekregen dat wij vanaf 1 mei 2024 geen nieuw polissen Wellness Verzekerd meer mogen accepteren. Daarnaast dienen alle bestaande polissen binnen deze cover uiterlijk 1-1-2026 al dan niet te worden overgesloten naar de reguliere producten van Nationale Nederlanden.
“De reden hiervoor is dat de producten qua dekking niet meer passen binnen het acceptatiebeleid van Nationale Nederlanden.”
Hieruit volgt dat Nationale-Nederlanden – zoals [eisers sub 1] stelt – weliswaar bekend lijkt te zijn met het concept van een zogenaamde wellnessverzekering, maar de tekst van de e-mail is verder zo algemeen geformuleerd dat hieruit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet kan worden afgeleid dat voor [eisers sub 1] ook daadwerkelijk een dergelijke wellnessverzekering met Nationale-Nederlanden is afgesloten. Uit de overgelegde polisbladen van de door [eisers sub 1] afgesloten verzekeringen blijkt – zoals Nationale-Nederlanden ook aanvoert – evenmin dat het om specifieke wellnessverzekeringen gaat. Uit die polisbladen kan de voorzieningenrechter vooralsnog niet anders afleiden dan dat het om reguliere verzekeringsproducten van Nationale-Nederlanden gaat.
4.8.
Om tot het oordeel te kunnen komen dat [eisers sub 1] wel een zogenaamde wellnessverzekering met Nationale-Nederlanden heeft afgesloten, is meer informatie nodig over de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst(en) tussen [eisers sub 1] en Nationale-Nederlanden. Voor nadere bewijsvoering hieromtrent is in kort geding echter geen plaats. Hetzelfde geldt voor het beroep dat [eisers sub 1] op de redelijkheid en billijkheid in dit kader wenst te doen. Immers moeten voor een beroep op de redelijkheid en billijkheid alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen en juist daarover verschillen partijen hier van mening. Ook dit kan mogelijk aankomen op nadere bewijsvoering, waarvoor in kort geding geen plaats is.
4.9.
Tot slot voert [eisers sub 1] nog aan dat dekking moet worden verleend, omdat Nationale-Nederlanden, althans de gevolmachtigde, voor eenzelfde soort schade in 2024 wél dekking heeft verleend. Gelet hierop mocht [eisers sub 1] naar eigen zeggen redelijkerwijs ervan uitgaan dat schade aan de jacuzzi en gevolgschade binnen de verzekeringsvoorwaarden valt. Ook deze omstandigheid maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat Nationale-Nederlanden in onderhavig geval dekking moet verlenen. Immers uit een e-mail van de gevolmachtigde van Nationale-Nederlanden van 21 mei 2021 volgt dat de dekking in 2024 is verleend met de uitdrukkelijke vermelding van de reden daarvan:
“Hiervoor geldt dat er schade is ontstaan doordat er water onvoorzien is gestroomd uit een toestel, aangesloten op een waterleiding installatie. (1.3.13 voorwaarden)”.De jacuzzi is daarentegen niet aangesloten op een waterleiding, dus de dekking in 2024 is kennelijk verleend onder een verkeerde voorstelling van zaken. [eisers sub 1] had kunnen en moeten weten dat Nationale-Nederlanden uitging van een situatie die in werkelijkheid niet zo was. Gelet daarop kon zij er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat in onderhavig geval dekking zou worden verleend.
4.10.
Al het voorgaande in overweging nemende acht de voorzieningenrechter het bij deze stand van zaken onvoldoende aannemelijk dat de rechter in een eventuele bodemprocedure tot het oordeel komt dat Nationale-Nederlanden dekking moet verlenen. Dat betekent dat de vorderingen van [eisers sub 1] in dit kort geding moeten worden afgewezen.
4.11.
[eisers sub 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Nationale-Nederlanden worden begroot op:
- griffierecht € 2.995,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 4.280,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers sub 1] af;
5.2.
veroordeelt [eisers sub 1] in de proceskosten van € 4.280,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eisers sub 1] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
lp

Voetnoten

1.Voor de gebouwenverzekering in artikel 1.3.13, voor de inventarisverzekering in artikel 1.3.12, voor de goederenverzekering artikel 1.3.11 en voor de bedrijfsschadeverzekering in artikel 1.3.12.