ECLI:NL:RBDHA:2025:24566
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening inzake afwijzing verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaard
Verzoekster heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke bij besluiten van 20 en 27 februari 2023 is afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze besluiten en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De minister heeft op 4 augustus 2022 op het bezwaar beslist, waardoor er geen bezwaar meer aanhangig is.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een verzoek om een voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien er een bezwaar of beroep aanhangig is. Nu het bezwaar is afgehandeld en er geen beroep is ingesteld binnen de daarvoor gestelde termijn, is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek dan ook niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar is afgehandeld en geen beroep is ingesteld.