ECLI:NL:RBDHA:2025:24585

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
25/302
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een Woo-verzoek door de Rechtbank Den Haag met betrekking tot de Stichting Animal Rights en de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 6 november 2025, wordt het beroep van Stichting Animal Rights tegen de beslissing van de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland om haar Woo-verzoek buiten behandeling te stellen, beoordeeld. Het Woo-verzoek, ingediend op 26 juni 2024, betreft de aanvraag van documenten met betrekking tot de financiering van de Stichting Faunabeheereenheid Zuid-Holland (FBE) en correspondentie tussen de provincie Zuid-Holland en de FBE in de jaren 2022 tot en met 2024. De rechtbank oordeelt dat het verzoek te algemeen en onduidelijk is geformuleerd, waardoor het niet voldoet aan de eisen van de Wet open overheid (Woo). Verweerder heeft eiseres op 3 juli 2024 verzocht om het verzoek te preciseren, maar eiseres heeft dit niet gedaan. De rechtbank concludeert dat het verzoek geen specifieke aangelegenheid bevat en dat verweerder het verzoek terecht buiten behandeling heeft gesteld. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard, en zij krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/302

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen

Stichting Animal Rights, uit Den Haag, eiseres

(gemachtigden: mr. M. van Duijn en [naam 1]),
en

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, verweerder

(gemachtigden: [naam 2] en mr. W.M. Lambooy).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing van verweerder om haar Woo-verzoek buiten behandeling te stellen.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 16 juli 2024 genomen. Met het bestreden besluit van 3 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft op 26 juni 2024 een Woo-verzoek bij verweerder ingediend. Hierin verzoekt zij om alle documenten die betrekking hebben op de financiering van de Stichting Faunabeheereenheid Zuid-Holland (hierna: FBE) in de jaren 2022 tot en met 2024 en om alle correspondentie enerzijds door en namens de provincie Zuid-Holland en bestuursleden en anderzijds medewerkers van de Stichting Faunabeheereenheid in de jaren 2022 tot en met 2024.
2.1.
Met de brief van 3 juli 2024 verzoekt verweerder eiseres om haar Woo-verzoek binnen een termijn van twee weken nader te preciseren. Voor zover het Woo-verzoek ziet op documenten die betrekking hebben op de financiering van de FBE, verzoekt verweerder eiseres om aan te geven of het haar hierbij bijvoorbeeld gaat om subsidiebesluiten waarin staat welke bedragen zijn toegekend aan de FBE. Voor zover het Woo-verzoek ziet op alle correspondentie tussen enerzijds de Provincie Zuid-Holland en bestuursleden en anderzijds medewerkers van de FBE, constateert verweerder dat hierin een aangelegenheid ontbreekt. Eiseres wordt verzocht om deze alsnog te vermelden. In de brief nodigt verweerder eiseres ook uit voor een gesprek met als doel om eiseres te ondersteunen in het preciseren van haar Woo-verzoek en om eventuele vragen te beantwoorden.
2.2.
In haar reactie op het preciseringsverzoek stelt eiseres over haar Woo-verzoek voor zover deze ziet op de financiering van de FBE, dat dit verzoek ziet op
alledocumenten die betrekking hebben op de financiering, dus ook op eventuele subsidiebesluiten en daaraan ten grondslag liggende documenten. Ten aanzien van haar Woo-verzoek voor zover deze ziet op alle correspondentie tussen enerzijds de Provincie Zuid-Holland en bestuursleden en anderzijds medewerkers van de FBE, erkende eiseres dat dit te onduidelijk was geformuleerd. Dit gedeelte van haar Woo-verzoek moet als volgt worden begrepen: ‘
alle correspondentie tussen de provincie Zuid-Holland en de FBE in de jaren 2022 tot en met 2024.’Het gaat hierbij om
allecorrespondentie en dus niet alleen om correspondentie waarin eiseres zelf wordt genoemd. Eiseres acht haar Woo-verzoek hiermee voldoende te hebben toegelicht en heeft geen behoefte aan een preciseringsgesprek.
2.3.
Met het primaire besluit in deze zaak heeft verweerder op het Woo-verzoek van eiseres beslist voor zover deze ziet op alle correspondentie tussen de provincie Zuid-Holland en de FBE in de jaren 2022 tot en met 2024. Verweerder heeft dit verzoek buiten behandeling gesteld. De reden hiervoor is dat eiseres onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarop dit gedeelte van haar Woo-verzoek betrekking heeft. Vanwege het ontbreken van een aangelegenheid raakt haar Woo-verzoek aan een onbegrensd aantal onderwerpen.
2.4.
In het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar heeft eiseres betwist dat in haar Woo-verzoek een aangelegenheid ontbreekt. Zo bepaalt artikel 8.1, eerste lid, van de Omgevingswet dat binnen een provincie een of meer faunabeheereenheden zijn. Het tweede lid bepaalt dat een faunabeheereenheid voor haar werkgebied een faunabeheerplan vaststelt en dat een faunabeheerplan de goedkeuring behoeft van de Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het werkgebied van de faunabeheereenheid is gelegen. In artikel 8.1 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening staat opgenomen dat er in de provincie één faunabeheereenheid is, genaamd: Faunabeheereenheid Zuid-Holland. Het werkgebied van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland omvat de gehele provincie Zuid-Holland. De Faunabeheereenheid Zuid Holland bevordert de uitvoering van passende en doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van schade als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van het Omgevingsbesluit. [1] De Faunabeheereenheid Zuid-Holland is verantwoordelijk voor de coördinatie van de uitvoering van de door het college van Gedeputeerde Staten goedgekeurde faunabeheerplannen. [2] De Faunabeheereenheid Zuid-Holland bevordert het naar behoren uitoefenen van de aan haar toegestane handelingen in het kader van populatiebeheer of in het kader van de bestrijding van schadeveroorzakende soorten. [3] De faunabeheereenheid legt de door haar uit te voeren werkzaamheden vast in een werkplan voor minimaal drie en maximaal zes jaren. [4] Eiseres stelt dat de relatie tussen de FBE en de provincie Zuid-Holland binnen het hiervoor geschetste kader wordt begrensd. De correspondentie waar zij met haar Woo-verzoek om heeft verzocht ziet dan ook uitsluitend op de uitvoer van deze wettelijke taken. De aangelegenheid is daarin gelegen.
2.5.
Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft de Adviescommissie bezwaarschriften (hierna: de commissie) zich over de zaak gebogen. De commissie is net als verweerder van oordeel dat het Woo-verzoek van eiseres geen aangelegenheid bevat. Het door eiseres in haar bezwaarschrift naar voren gebrachte juridisch kader omvat vele en uiteenlopende taken en verantwoordelijkheden. Het onderwerp faunabeheer is een erg ruim begrip en daarmee te algemeen en te weinig concreet om van een aangelegenheid te kunnen spreken. Verder is de commissie van oordeel dat verweerder eiseres voldoende behulpzaam is geweest bij het preciseren van het Woo-verzoek. Hoewel verweerder volgens de commissie op grond van het voorgaande het Woo-verzoek van eiseres terecht buiten behandeling heeft gesteld, heeft verweerder hiervoor met het primaire besluit een verkeerde grondslag gebruikt. Dit had artikel 4.1, vierde en vijfde lid, van de Woo moeten zijn in plaats van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met het bestreden besluit heeft verweerder zich aan het advies van de commissie geconformeerd.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres blijft bij haar standpunt dat haar Woo-verzoek wel een aangelegenheid bevat. Dat het door haar in haar bezwaarschrift naar voren gebrachte juridisch kader vele en uiteenlopende verantwoordelijkheden omvat, zoals de commissie en ook verweerder hebben gesteld, klopt niet. Er is een faunabeheereenheid die een faunabeheerplan vaststelt, welke verweerder vervolgens moet goedkeuren om rechtskracht te hebben. Dat is de basis waaraan al het overige ondersteunend is. Gelet daarop is het ook niet aannemelijk dat het in behandeling nemen van haar Woo-verzoek een ontwrichtende werking zal hebben op het Woo-team en de FBE. Ook wijst eiseres erop dat zij om de betreffende correspondentie tussen de provincie Zuid-Holland en de FBE heeft verzocht om in kaart te brengen hoe deze twee entiteiten zich tot elkaar verhouden. Eiseres vermoedt namelijk dat sprake is van een ongezond kleffe relatie tussen de twee. Dat verweerder haar Woo-verzoek buiten behandeling heeft gesteld, sterkt haar in deze opvatting. Het feit dat duizenden documenten moeten worden doorzocht is volgens eiseres geen geldige reden om haar Woo-verzoek buiten behandeling te stellen. Een grote omvang aan documenten kan hoogstens leiden tot het verlengen van de beslistermijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek van eiseres op goede gronden buiten behandeling heeft gesteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.1.
Artikel 4.1, eerste lid, van de Woo bepaalt, voor zover hier van belang, dat eenieder een verzoek om publieke informatie kan richten tot een bestuursorgaan. Op grond van het vierde lid vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. Op grond van het vijfde lid van dit artikel verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam indien een verzoek te algemeen is geformuleerd. Ingevolge het zesde lid kan het bestuursorgaan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering.
4.2.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de voorganger van de Woo, de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), volgt dat het uitgangspunt van de Wob is dat de verzoeker informatie over een bepaald onderwerp vraagt. Het verzoek mag niet een onbegrensde verscheidenheid aan onderwerpen betreffen. [5] De Wob is niet geschreven voor ongespecificeerde verzoeken om alle gegevens over al evenmin gespecificeerde onderwerpen. [6] Met de eis dat een voldoende gespecificeerde aangelegenheid genoemd moet worden heeft de wetgever bestuursorganen willen beschermen tegen ongerichte informatieverzoeken en heeft hij willen voorkomen dat bestuursorganen een ongedifferentieerde hoeveelheid overheidsinformatie moeten beoordelen op openbaarheid. Dat zou een ontwrichtende werking hebben op het overheidsapparaat. Onder de nu geldende wet, de Woo, is dat niet anders. Ook de Woo stelt als voorwaarde dat de verzoeker de ‘aangelegenheid’ noemt waarop zijn verzoek betrekking heeft en bepaalt dat deze aangelegenheid niet te algemeen geformuleerd moet zijn. De hier relevante voorwaarden aan een informatieverzoek zijn hetzelfde gebleven. [7]
Betreft het verzoek om bestuurlijke informatie een aangelegenheid?
5. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek van eiseres te algemeen geformuleerd. De rechtbank zal dat uitleggen.
5.1.
Voor de vaststelling of een verzoek een aangelegenheid betreft, is het nodig de rol of het optreden van de overheid in het kader van een gebeurtenis, casus, kwestie, voorval of op z’n minst een situatie van overheidshandelen als zodanig te noemen, [8] dat wil zeggen meer dan louter de inventarisatie van een totaalbeeld.
5.2.
De uitoefening van de wettelijke taak door de FBE is niet voldoende specifiek om als aangelegenheid te worden aangemerkt. Het bevorderen van de uitvoering van passende en doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van schade als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van het Omgevingsbesluit, de coördinatie van de uitvoering van de door het college van Gedeputeerde Staten goedgekeurde faunabeheerplannen en de bevordering van naar behoren uitoefenen van de aan haar toegestane handelingen in het kader van populatiebeheer of in het kader van de bestrijding van schadeveroorzakende soorten [9] , omvat verscheidene situaties van overheidshandelen, zodat niet van een aangelegenheid gesproken kan worden. Zoals verweerder heeft toegelicht betreft dit onder meer het opstellen van faunabeheerplannen welke vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie, het coördineren van de uitvoering van het faunabeheer, het zijn van een loketfunctie voor aanvragen van derde partijen in relatie tot faunabeheer, het organiseren en coördineren van de faunatellingen en het beantwoorden van vragen over de uitvoering van het faunabeheer. Het verzoek van eiseres was daarmee te breed en te omvangrijk. Verweerder heeft gezien de algemene strekking van het Woo-verzoek in combinatie met de omvang van dit verzoek dan ook terecht ingezet op het specificeren hiervan.
6. Eiseres is bij het standpunt gebleven dat het verzoek voldoende duidelijk was en hij geen gebruik wilde maken van de gelegenheid om het verzoek te concretiseren. Hierdoor bleef onduidelijk welke concrete informatie hij wenste te ontvangen. Verweerder mocht de aanvraag daarom, gelet op het bepaalde in artikel 4.1, zesde lid, van de Woo, buiten behandeling stellen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8.1, derde lid, van de Zuid-Hollands Omgevingsverordening.
2.Artikel 8.1, vierde lid, van de Zuid-Hollands Omgevingsverordening.
3.Artikel 8.1, vijfde lid, van de Zuid-Hollands Omgevingsverordening.
4.Artikel 8.1, zesde lid, van de Zuid-Hollands Omgevingsverordening.
5.Zie Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, p. 9-10.
6.Zie Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, p. 21-22.
7.Zie Kamerstukken II 2013/14, 33328, nr. 9, p. 18.
8.Kamerstukken II 2018/19 35112, nr. 3, p. 12.
9.Artikel 8.1, vijfde lid, van de Zuid-Hollands Omgevingsverordening.