ECLI:NL:RBDHA:2025:24592

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
20 december 2025
Zaaknummer
C/09/690238 / FA RK 25-6223
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en vaststelling kinderalimentatie in een echtscheidingsprocedure met mediation

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 november 2025 een beschikking gegeven in een echtscheidingsprocedure tussen de vader en de moeder van een minderjarig kind. De vader verzocht om een voorlopige zorgregeling en de vaststelling van kinderalimentatie. De rechtbank heeft kennisgenomen van diverse stukken, waaronder verweer en aanvullende verzoekschriften van beide partijen. De ouders hebben een affectieve relatie gehad en zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de zorg van hun dochter, die bij de moeder verblijft. De vader heeft verzocht om een week-op-week-af-regeling, maar de moeder ziet dit momenteel niet zitten vanwege de spanningen die zijn ontstaan na de relatiebreuk. De rechtbank heeft besloten dat er een voorlopige zorgregeling moet komen, waarbij het kind in de eerste vijf weken bij de vader verblijft van donderdag tot zondag. De rechtbank heeft ook de kinderalimentatie vastgesteld op € 328,- per maand, met ingang van 2 september 2025, en heeft de verdere beslissingen over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van een mediationtraject. De ouders zijn overeengekomen om in mediation te gaan om tot een definitieve regeling te komen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6223
Zaaknummer: C/09/690238
Datum beschikking: 19 november 2025

Hoofdverblijfplaats, zorgregeling, kinderalimentatie

Beschikking op het op 19 augustus 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.D. Bakker te ’s-Gravenhage .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Braun te ’s-Gravenhage .

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het aanvullend verweerschrift;
- het aanvullend verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek;
- de brief van de moeder van 2 september 2025;
- het F9-bericht van de moeder van 13 oktober 2025, met bijlagen;
- het F9-bericht van de vader van 18 oktober 2025, met bijlage;
- het F9-bericht van de moeder van 20 oktober 2025, met bijlagen;
- het F9-bericht van de vader van 21 oktober 2025.
Op 22 oktober 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Verzoek en verweer

De vader verzoekt – na wijziging – te bepalen dat:
  • zodra de vader en de moeder elk over eigen woonruimte beschikken de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] zal worden vastgesteld bij de vader;
  • een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, in die zin dat [minderjarige] :
- in week 1: van maandag uit de opvang tot woensdag 08.00 uur en van woensdag 19.00 uur tot maandag naar de opvang bij de vader is en op woensdag van 08.00 uur tot 19.00 uur bij de moeder is;
- in week 2: van maandag uit de opvang tot donderdag 08.00 uur en van donderdag 19.00 uur tot maandag naar de opvang bij de moeder is en op donderdag van 08.00 uur tot 19.00 uur bij de vader verblijft;
- de vakanties bij helfte tussen de ouders worden verdeeld;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:
  • de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te bepalen;
  • een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, waarbij:
  • [minderjarige] iedere donderdag van 08.00 uur tot 17.00 uur of 19.00 uur bij de vader verblijft;
  • [minderjarige] iedere zondag van 09.00 uur tot 17.00 uur of 19.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] brengt en de vader [minderjarige] weer bij de moeder brengt en waarbij hij uiterlijk de dag ervoor aangeeft of [minderjarige] om 17.00 uur of 19.00 uur wordt teruggebracht;
  • de reguliere zorgregeling tijdens vakanties en feestdagen doorloopt, waarbij feestdagen die buiten de dagen van de vader vallen, in onderling overleg kunnen worden verdeeld;
  • de moeder, in afwijking van de reguliere zorgregeling, minimaal twee keer per jaar één week en één keer per jaar twee weken met [minderjarige] op vakantie kan gaan, in onderling overleg te bepalen en waarbij de gemiste zorgdagen voor de vader worden gecompenseerd;
- een door de vader aan de moeder te betalen bijdrage aan kinderalimentatie vast te
stellen van € 384,- per maand + p.m., met ingang van 1 augustus 2025, steeds bij vooruitbetaling te voldoen, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag en ingangsdatum;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] ;
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- [minderjarige] verblijft bij de moeder.

Beoordeling

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
Beide partijen hebben verzoeken in gediend inzake de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling ten aanzien van hun dochter, [minderjarige] . De vader verzoekt daarbij – kort samengevat – een week-op-week-af-regeling, waarbij partijen om de beurt in de gezamenlijke woning verblijven (birdnesting), zoals ze rondom het verbreken van de relatie ook tijdelijk hebben gedaan. De vader heeft tijdens de relatie altijd een grote rol gespeeld in de zorg voor [minderjarige] en wil dat blijven doen, maar de moeder ziet daartoe (op dit moment) geen mogelijkheden. Tijdens de relatie zijn de spanningen volgens haar hoog opgelopen, waarbij de vader kampte met woede-uitbarstingen. Na de relatiebreuk zijn de onderlinge verhoudingen verder verslechterd. Voordat de ouders tot een (definitieve) zorgregeling komen, wil de moeder in gesprek met een professional. De vader staat hiervoor open, maar enkel indien zij eerst een co-ouderschapsregeling afspreken. Er is daarmee een impasse ontstaan, waarbij het partijen zelf niet lukt om hieruit te komen.
Op de zitting is gesproken over de vervolgstappen. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat zij – op aanraden van de Raad – een mediationtraject zullen aangaan bij [naam 2] . De ouders zullen zich zo spoedig mogelijk bij haar aanmelden en zullen de kosten delen.
De ouders zijn er niet in geslaagd om voor de komende periode tot afspraken te komen voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zodat de rechtbank een voorlopige zorgregeling zal vaststellen, in afwachting van het mediationtraject. Met de Raad is de rechtbank daarbij van oordeel dat op dit moment geen ruimte bestaat voor een co-ouderschapsregeling, zoals door de vader verzocht. Ook voor birdnesting ziet de rechtbank onvoldoende overeenstemming en zijn de onderlinge verhoudingen te vertroebeld. Met de Raad is de rechtbank echter ook van oordeel dat het huidige contact tussen de vader en [minderjarige] – ongeveer twee keer per week – te beperkt is. De rechtbank zal daarom een
voorlopigezorgregeling vaststellen, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:
  • in week 1: van donderdag 08.00 uur tot vrijdag naar de opvang;
  • in week 2: op donderdag van 08.00 uur tot 19.00 uur en van zaterdag 09.00 uur tot
zondag 19.00 uur.
Daarbij zal de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft, haar naar de andere ouder brengen.
Na verloop van vijf weken, zal de rechtbank de zorgregeling uitbreiden in die zin dat [minderjarige] in week 2 van donderdag 09.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader verblijft. Op de zitting is besproken dat voormelde zorgregeling aan zal vangen per donderdag 30 oktober, zodat de uitbreiding plaatsvindt per 4 december 2025. [minderjarige] zal aldus vanaf donderdag 11 december van donderdag tot en met zondag aaneengesloten bij de vader verblijven.
De rechtbank zal deze voorlopige zorgregeling vastleggen en de verzoeken inzake de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling voor het overige aanhouden, in afwachting van de resultaten van de mediation.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van 2 september 2025, omdat de moeder op deze datum het zelfstandig verzoek tot vaststelling van de kinderalimentatie heeft ingediend en de vader vanaf deze datum in alle redelijkheid rekening kon houden met een te betalen bijdrage aan kinderalimentatie.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] € 910,- per maand bedraagt in 2025. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de netto kosten voor de kinderopvang van € 682,50 per maand, zodat de totale behoefte van [minderjarige] € 1.593,- per maand bedraagt.
Draagkracht van partijen
Nu is gebleken dat de moeder bovenop haar basisloon een individueel keuzebudget (IKB) ontvangt en geen dertiende maand/veertiende periode of eindejaarsuitkering ontvangt, zijn partijen het erover eens dat de draagkracht van de moeder € 1.598,- per maand bedraagt. De rechtbank zal dit volgen. Partijen zij het ook eens dat de draagkracht van de vader van € 857,-per maand bedraagt, omdat ten aanzien van hem ook is gebleken dat hij geen dertiende maand/veertiende periode of eindejaarsuitkering ontvangt.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.455 per maand (€ 1.598 + € 857). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 857 / 2.455 x 1.593 = € 556,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 1.598 / 2.455 x 1.593 =
€ 1.037,-
samen € 1.593,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 556,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 1.037,- per maand komt voor rekening van de moeder.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de vader gemiddeld minder dan drie dagen per week de zorg heeft voor [minderjarige] , geldt een percentage van 25. De zorgkorting bedraagt dan € 228,- per maand ((25% van € 910,-). Indien mocht blijken dat partijen de zorgregeling (na aanleiding van de mediation) uitbreiden, kunnen zij het bedrag aan kinderalimentatie zo nodig aanpassen met de dan toepasselijke zorgkorting.
De door de vader aan de moeder te betalen bijdrage bedraagt € 328,- per maand. De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat de verzoeken over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling worden aangehouden, zal de rechtbank ook de proceskostenveroordeling aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te
[geboorteplaats] ,
voorlopigbij de vader zal zijn:
de eerste vijf weken (van 30 oktober 2025 tot 4 december 2025)
  • in week 1: van donderdag 08.00 uur tot vrijdag naar de opvang;
  • in week 2: op donderdag van 08.00 uur tot 19.00 uur (na het avondeten) en van
zaterdag 09.00 uur tot zondag 19.00 uur (na het avondeten),
na vijf weken (vanaf 4 december 2025)
  • in week 1: van donderdag 08.00 uur tot vrijdag naar de opvang;
  • in week 2: van donderdag 08.00 uur tot zondag 19.00 uur (na het avondeten);
waarbij de ouders bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft, haar naar de andere ouder brengt;
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 2 september 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 328,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de proceskosten aan tot
1 maart 2026 pro forma, in afwachting van de resultaten van de mediation;
uiterlijk op genoemde pro formadatum dienen partijen zich schriftelijk uit te laten over het resultaat van de mediation en de voortgang van deze procedure;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en proceskostenaan;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Visser kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 november 2025.