ECLI:NL:RBDHA:2025:24634

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
21 december 2025
Zaaknummer
C/09/672591 / FA RK 24-6672
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opschorting van omgangsregeling tussen vader en minderjarige na tumultueuze relatie en zorgen over veiligheid

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 20 november 2025 een beschikking gegeven inzake de omgangsregeling tussen de vader en zijn minderjarige kind, geboren in 2014. De vader had verzocht om een omgangsregeling waarbij het kind eenmaal per twee weken bij hem zou verblijven. De moeder daarentegen verzocht om het recht op contact met de vader te ontzeggen, uit bezorgdheid voor de veiligheid van het kind. De rechtbank heeft kennisgenomen van de turbulente relatie tussen de ouders, die gekenmerkt werd door middelengebruik en huiselijk geweld. De minderjarige heeft in het verleden onder toezicht gestaan en is tijdelijk uit huis geplaatst. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minderjarige een afkeer heeft van de vader en dat het in zijn belang is om hem niet te dwingen tot contact. De rechtbank heeft het verzoek van de vader om een omgangsregeling afgewijzen, maar ook het verzoek van de moeder om het contact te ontzeggen. In plaats daarvan heeft de rechtbank besloten de bestaande omgangsregeling voor onbepaalde tijd op te schorten, met de hoop dat de minderjarige in de toekomst zelf contact met de vader zal willen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-6672
Zaaknummer: C/09/672591
Datum beschikking: 20 november 2025 (bij vervroeging)

Omgang

Beschikking op het op 18 september 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.G.T. Meershoek te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,
advocaat: mr. M. Erkens te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het bericht van 24 september 2024 van de zijde van de vader;
- het bericht van 10 oktober 2024, met bijlage, van de zijde van de vader;
- het bericht van 10 februari 2025 van de zijde van de vader;
- het verweerschrift tevens verzoekschrift;
- het bericht van 28 oktober 2025, met bijlage, van de zijde van de vader;
- het bericht van 30 oktober 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder.
De minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Op 31 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming
.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats].
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt een omgangsregeling, waarbij [minderjarige] – na een door de rechtbank te bepalen opbouwschema – bij de vader verblijft eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig de beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2019 te wijzigen in die zin dat de vader het recht op contact met [minderjarige] wordt ontzegd, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Partijen hebben een zeer turbulente relatie met elkaar gehad, welke gekenmerkt werd door middelengebruik en heftige escalaties. Partijen verschillen echter van mening over wat er in het verleden precies is gebeurd. In ieder geval staat vast dat partijen in 2018 uit elkaar zijn gegaan. Omdat hulpverlening in het vrijwillige kader ontoereikend bleek te zijn, zijn partijen in het gedwongen kader terechtgekomen. In oktober 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld en vervolgens is hij in februari 2019 met spoed uit huis geplaatst. Aanvankelijk verbleef [minderjarige] in een pleegzorginstelling, maar hij is even later bij zijn grootouders (vaderszijde) geplaatst. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 11 november 2020 is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] gewijzigd naar de moeder. De ondertoezichtstelling is per 5 oktober 2021 geëindigd.
Na het uiteengaan van partijen is de vader afwisselend aanwezig geweest in het leven van [minderjarige]. Dit kwam niet alleen door de zeer verstoorde relatie tussen partijen, maar ook doordat de vader regelmatig in detentie heeft gezeten en met een cocaïneverslaving kampte. Bij beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2019 is bepaald dat [minderjarige] onder regie van de jeugdbeschermer tenminste eenmaal per maand omgang met de vader zal hebben. Volgens de vader had hij in de periode hierna op regelmatige basis contact met [minderjarige], welk contact bij de grootouders (vaderszijde) plaatsvond. Dit verslechterde echter toen [minderjarige] bij de moeder werd teruggeplaatst. Uiteindelijk heeft de moeder het contact tussen de vader en [minderjarige] in 2023 volledig stopgezet, omdat zij zorgen had over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader. Ook heeft de moeder het contact tussen [minderjarige] en de grootouders (vaderzijde) stopgezet, ondanks dat er tussen hen een structurele omgangsregeling was vastgesteld. De vader ontkent met klem dat sprake is (geweest) van een onveilige situatie waardoor een stopzetting van het contact met zowel hem als de grootouders (vaderszijde) gerechtvaardigd zou zijn. Sterker nog, de vader heeft de afgelopen jaren hard aan zichzelf gewerkt. Zo is hij al geruime tijd vrij van middelengebruik en volgt hij met succes alle behandelingen die hem in het strafrechtelijke kader zijn aangeboden. Bovendien is de vader sinds 2021 niet meer strafrechtelijk veroordeeld. De vader is er dan ook van overtuigd dat hij weer de vader is die hij voor [minderjarige] kan en wil zijn. Het is volgens hem dan ook in het belang van [minderjarige] dat het contact tussen hen zo snel mogelijk wordt hervat. Hierdoor wordt de vader ook in de gelegenheid gesteld om te laten zien dat hij een betrouwbare vader is en afspraken zal nakomen, waardoor het vertrouwen van de moeder en [minderjarige] in de vader kan groeien.
De moeder betwist hetgeen de vader heeft aangevoerd. Zij stelt dat [minderjarige] een hekel aan de vader heeft en geen contact met hem wil. [minderjarige] is namelijk in het verleden door de vader zowel fysiek als psychisch mishandeld. Ook is de vader volgens de moeder nooit een beschikbare vader geweest. Zo kwam hij meermaals afspraken niet na, was er – zoals eerder genoemd – sprake van zowel fysiek als psychisch geweld en manipuleerde de vader [minderjarige] door slecht over de moeder te praten. Omdat [minderjarige] gediagnosticeerd is met ADHD en een trauma gerelateerde stoornis, acht de moeder het niet in het belang van [minderjarige] om het contact met de vader af te dwingen. Dit zou namelijk veel stress bij [minderjarige] opleveren. Volgens de moeder zijn er bovendien vanuit haar kant meerdere pogingen gedaan om het contact tussen de vader en [minderjarige] te herstellen en te bevorderen, waarvoor ook [instantie] is ingeschakeld. Deze kansen heeft de vader echter niet aangegrepen. Het contact tussen [minderjarige] en de grootouders (vaderszijde) is stopgezet, omdat de grootouders (vaderszijde) weigerden veiligheidsafspraken te maken. Al met al heeft de moeder geen vertrouwen in de vader en heeft zij grote zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader. Hoewel de vader beweert dat het op dit moment al langere tijd goed met hem gaat, hij zijn leven op orde heeft en vrij is van middelengebruik, heeft de moeder er – gelet op het verleden – weinig vertrouwen in dat deze positieve ontwikkeling zich zal voortzetten. Om deze reden verzoekt de moeder de vader het recht op contact met [minderjarige] te ontzeggen.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377a eerste lid BW heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt.
Ingevolge artikel 1:377a derde lid BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van een kind, of
de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De rechtbank begrijpt uit de stukken en uit wat op zitting naar voren is gekomen dat tussen de vader en de moeder veel is gebeurd. [minderjarige] heeft hier veel van meegekregen en is bovendien zelf ook slachtoffer geworden van huiselijk geweld. [minderjarige] heeft hierdoor een afkeer tegen de vader en heeft in een brief aan de kinderrechter laten weten dat hij geen contact met hem wil. Bovendien lijkt [minderjarige] sinds hij geen contact meer met de vader heeft rust te hebben gevonden. Hoewel [minderjarige] recht heeft op contact met beide ouders, acht de rechtbank het niet in belang van [minderjarige] om hem te dwingen tot contact met de vader. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zij – gezien zijn belaste verleden en zijn persoonlijke problematiek (ADHD en een trauma gerelateerde stoornis – niet kan inschatten wat hiervan het effect op het welzijn van [minderjarige] is. Naar het oordeel van de rechtbank is het van belang dat de vader de positieve ontwikkeling die hij nu laat zien, voortzet. Op deze manier kan het vertrouwen van de moeder en [minderjarige] in de vader in de toekomst hopelijk groeien. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het verzoek van de vader om een omgangsregeling te bepalen, afwijzen.
Tegelijkertijd zal de rechtbank het verzoek van de moeder om de omgang tussen de vader en [minderjarige] te ontzeggen, afwijzen. Het verzoek van de moeder heeft namelijk zeer verstrekkende en ingrijpende gevolgen voor zowel de vader als [minderjarige]. De rechtbank acht het van belang dat zodra [minderjarige] zelf contact met de vader wenst, dit contact mogelijk gemaakt wordt. De rechtbank heeft hierbij de hoop dat [minderjarige] op termijn de ruimte en nieuwsgierigheid zal ervaren om alsnog tot een vorm van contact met de vader te komen.
Tot slot merkt de rechtbank het volgende op. Bij nadere bestudering is gebleken dat afwijzing van de verzoeken van partijen zou betekenen dat de bij beschikking van 22 februari 2019 bepaalde regeling weer van kracht zou zijn. Dit acht de rechtbank op dit moment niet in het belang van [minderjarige]. In het belang van [minderjarige] zal de rechtbank dan ook bepalen dat de in voornoemde beschikking bepaalde omgang tussen de vader en [minderjarige] voor onbepaalde tijd wordt opgeschort.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de in de beschikking van 22 februari 2019 bepaalde omgang tussen de vader en [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] voor onbepaalde tijd wordt opgeschort;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2025.