ECLI:NL:RBDHA:2025:24651

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
21 december 2025
Zaaknummer
C/09/660898 / FA RK 24-839
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie en beoordeling van verzoeken van ouders in familierechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 20 november 2025 een beschikking gegeven over de wijziging van kinderalimentatie in een familierechtelijke procedure. De vader heeft verzocht om de kinderalimentatie voor zijn minderjarige kind, [minderjarige 1], te verlagen, terwijl de moeder zelfstandig verweer heeft gevoerd en ook een verzoek heeft ingediend voor achterstallige betalingen. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden van de ouders in overweging genomen, waaronder de financiële situatie van beide partijen en de afspraken die in het ouderschapsplan zijn vastgelegd. De vader heeft gesteld dat hij sinds 2016 te veel kinderalimentatie betaalt en dat er gewijzigde omstandigheden zijn die een herziening rechtvaardigen. De moeder heeft dit betwist en heeft ook een verzoek ingediend voor betaling van achterstallige kinderalimentatie en andere kosten. De rechtbank heeft de verzoeken beoordeeld en vastgesteld dat de vader de kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2024 moet verhogen naar € 354,- per maand, en dat de moeder recht heeft op € 1.117,50 aan achterstallige wettelijke indexering van de kinderalimentatie over de periode van 1 april 2019 tot 1 februari 2024. De rechtbank heeft de vorderingen van de moeder voor overige kosten afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-839
Zaaknummer: C/09/660898
Datum beschikking: 20 november 2025

Kinderalimentatie

Beschikking op het op 2 februari 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: eerst mr. B.M.C.M. Hiddes, nu mr. B.L.A. Bancken te Haarlem.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Ganga te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met 30 producties, van de zijde van de vader;
  • het F9-formulier van 20 februari 2024, met als bijlage de geboorteakte van de minderjarige, van de zijde van de vader;
  • het op 3 april 2024 ingekomen verweerschrift met zelfstandig verzoeken, met producties 1 tot en met 32, van de zijde van de moeder;
  • het op 28 mei 2024 ingekomen verweer op de zelfstandige verzoeken, met producties 2 en 3, van de zijde van de vader;
  • het F9-formulier van 21 september 2025, met producties 33 tot en met 39, van de zijde van de moeder;
  • het op 23 september 2025 ingekomen gewijzigde / aanvullende verzoekschrift, met producties 1 en 4 tot en met 14, van de zijde van de vader;
  • de brief van 26 september 2025, met producties 40 tot en met 46, van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 29 september 2025, met producties 15 tot en met 18, van de zijde van de vader.
Op 1 oktober 2025 om 23:43 uur is namens de moeder nog een F9-formulier ingediend met een wijziging van de zelfstandige verzoeken en bijna 100 pagina’s aan producties. Volgens artikel 1.12 van het Procesreglement Alimentatie en Bijstandsverhaal dienen processtukken uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling te worden ingediend. De zitting vond plaats op 2 oktober 2025 om 13.15 uur. Dit processtuk is buiten de hiervoor genoemde termijn van drie dagen ingediend. De rechtbank acht de indiening van dit wijzigingsverzoek met een grote hoeveelheid aan producties enkele uren voorafgaand aan de zitting in strijd met de eisen van een goede procesorde. Zoals al op de zitting aan partijen meegedeeld, zal de rechtbank het F9-formulier van 1 oktober 2025 met bijbehorende stukken van de zijde van de moeder daarom buiten beschouwing laten.
Op 2 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
Namens de moeder zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] .
  • [minderjarige 1] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
  • In een door beide ouders in februari 2016 ondertekend ouderschapsplan, zijn zij een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie overeengekomen van € 224,- per maand, iedere eerste van de maand bij vooruitbetaling te voldoen en waarbij de kinderalimentatie ieder jaar wordt geïndexeerd. Daarnaast hebben zij afgesproken dat zij maandelijks een bedrag van € 7,50 storten op een Kinder Toekomst Spaarrekening. Verder hebben zij afgesproken dat zij kosten van opleiding, boekengeld, schoolgeld, schoolreisjes en reiskosten etc beiden zullen dragen. Tot slot hebben zij afgesproken dat er jaarlijks in december wordt bekeken of het afgesproken ouderschapsplan nog actueel is en voldoet.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 1 juni 2016 is de door de vader met ingang van
1 februari 2016 te betalen kinderalimentatie van € 224,- per maand vastgelegd, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen.
  • De vader is op [datum 1] 2018 getrouwd met [naam] , met wie hij een minderjarig kind heeft: [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] .
  • In december 2020 hebben de vader en de moeder een ‘verklaring afwijking ouderschapsconvenant ten behoeve van aangiften inkomstenbelasting premie volksverzekeringen 2018 en 2019’ ondertekend.
  • Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de vader te betalen kinderalimentatie:
 sinds 1 januari 2018 € 232,- per maand;
 sinds 1 januari 2019 € 237,- per maand;
 sinds 1 januari 2020 € 243,- per maand;
 sinds 1 januari 2021 € 250,- per maand;
 sinds 1 januari 2022 € 255,- per maand;
 sinds 1 januari 2023 € 263,- per maand;
 sinds 1 januari 2024 € 280,- per maand;
 sinds 1 januari 2025 € 298,- per maand.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vader luidt nu – met wijziging van het ouderschapsplan van januari 2016 en de beschikking van deze rechtbank van 1 juni 2016 – :
de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] te bepalen op:
 per 2 januari 2018 tot 1 juli 2018 op € 119,- per maand;
 per 1 juli 2018 op € 212,- per maand;
 per 1 januari 2019 op € 250,- per maand;
 per 1 januari 2020 op € 137,- per maand;
 per 1 januari 2021 op € 87,- per maand;
 per 1 januari 2022 op € 117,- per maand;
 per 1 januari 2023 op € 126,- per maand;
 per 1 januari 2024 op € 191,- per maand;
 per 1 januari 2025 op € 185,- per maand;
dan wel op een door de rechtbank vast te stellen bedrag;
de kinderalimentatie te wijzigen met terugwerkende kracht, primair ingaand op 2 januari 2018 en subsidiair op [datum 2] 2020, meer subsidiair op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ingangsdatum;
de moeder te veroordelen tot terugbetaling van de door de vader te veel betaalde kinderalimentatie van € 6.975,06, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, binnen veertien dagen na de te wijzen beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente en betekeningskosten als dit bedrag niet binnen veertien dagen is voldaan, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast heeft de moeder zelfstandig verzocht – met wijziging van het ouderschapsplan van januari 2016 en de beschikking van deze rechtbank van 1 juni 2016 – :
de vader te veroordelen tot betaling aan de moeder van € 1.205,98 uit hoofde van achterstallige kinderalimentatie;
de vader te veroordelen tot betaling aan de moeder van € 1.438,91 als overige kosten voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , overeenkomstig het ouderschapsplan;
de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2024 te bepalen op € 402,- per maand;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de vader in de proceskosten.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
De vader heeft gesteld dat sprake is van verschillende wijzigingen van omstandigheden, op basis waarvan de door hem voor [minderjarige 1] te betalen kinderalimentatie herzien zou moeten worden. De vader stelt dat hij al vanaf 2016 te veel kinderalimentatie betaalt. Volgens de vader is de in het ouderschapsplan overeengekomen bijdrage niet gebaseerd op een berekening, en heeft hij hiermee alleen ingestemd omdat de ouders het ouderschapsplan jaarlijks in december zouden evalueren. De vader heeft hier herhaaldelijk om verzocht, maar de moeder weigerde daaraan mee te werken. In de tussentijd hebben er meerdere gewijzigde omstandigheden plaatsgevonden. In 2018 is de vader gehuwd, in 2019 is hij een onderneming gestart, in 2020 is zijn zoon [minderjarige 2] geboren en de zorgregeling met [minderjarige 1] is een aantal keren gewijzigd.
De moeder betwist de gewijzigde omstandigheden niet, maar stelt dat deze niet met terugwerkende kracht eerder dan 1 februari 2024 tot een wijziging van de kinderalimentatie moeten leiden. Dat de overeengekomen kinderalimentatie niet op een berekening is gebaseerd en de ouders de alimentatie jaarlijks zouden evalueren wordt door de moeder betwist. Volgens de moeder zijn de ouders in de door hen in december 2020 ondertekende ‘verklaring afwijking ouderschapsconvenant ten behoeve van aangiften inkomstenbelasting premie volksverzekeringen 2018 en 2019’ bovendien een niet-wijzigingsbeding overeengekomen. Ter onderbouwing van haar eigen wijzigingsverzoek met ingang van 1 februari 2024 stelt de moeder dat er meerdere gewijzigde omstandigheden zijn, zoals het wijzigen van de zorgregeling, het vervallen en herleven van haar recht op inkomensafhankelijke combinatiekorting en het wijzigen van de draagkracht van de vader.
De rechtbank overweegt als volgt.
De vader heeft gesteld dat de tussen de ouders overeengekomen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] van begin af aan al te hoog is geweest. Voor zover de vader heeft bedoeld daarmee een beroep te doen op artikel 1:401 lid 5 BW, is gesteld noch gebleken dat de overeenkomst destijds is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De rechtbank gaat aan dat standpunt dan ook voorbij.
Dat de ouders een niet-wijzigingsbeding zouden zijn overeengekomen in de door hen in december 2020 ondertekende verklaring, zoals de moeder stelt en de vader betwist, is de rechtbank niet gebleken. Aan dat standpunt gaat de rechtbank daarom ook voorbij.
Tussen de ouders is niet in geschil dat er meerdere wijzigingen van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal de vader daarom ontvangen in zijn verzoek en de moeder in haar zelfstandige verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie. De rechtbank zal hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de overeenkomst en de beschikking van deze rechtbank van 1 juni 2016.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen.
De vader heeft primair verzocht de kinderalimentatie te wijzigen met ingang van 2 januari 2018, subsidiair met ingang van [datum 2] 2020 en meer subsidiair met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum. De vader stelt dat hij de moeder sinds 2 januari 2018 herhaaldelijk heeft gevraagd om het ouderschapsplan voor wat betreft de afgesproken kinderalimentatie te herzien, waaraan zij niet mee wilde werken. Daarnaast is op [geboortedatum 2] 2020 zijn zoon [minderjarige 2] geboren en moet hij zijn draagkracht sindsdien verdelen over twee kinderen. De moeder is op 1 november 2022 voor het eerst aangeschreven door zijn advocaat. Volgens de vader betaalt hij hierdoor al lange tijd te veel kinderalimentatie, en rechtvaardigt dit de door hem verzochte terugwerkende kracht.
De moeder heeft verzocht de kinderalimentatie niet eerder te wijzigen dan met ingang van 1 februari 2024. Pas op die datum heeft de vader daadwerkelijk een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie gedaan. Het klopt dat zij op 1 november 2022 voor het eerst is aangeschreven, maar pas op 3 maart 2023 is er een eerste berekening toegezonden. Na het laatste tegenvoorstel van de moeder op 26 juni 2023, waarmee de vader niet akkoord was, is pas op 1 februari 2024 daadwerkelijk een verzoekschrift ingediend. De moeder stelt dat het op de weg van de vader had gelegen om eerder een verzoek in te dienen, en heeft zij geen rekening heeft kunnen houden met een eventuele wijziging van de kinderalimentatie.
De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Hierbij geldt in het algemeen dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijzing van de bijdrage met ingang van een datum gelegen vóór zijn uitspraak behoedzaam gebruik moet maken. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van wat in overeenstemming met de behoefte aan levensonderhoud al is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering (zie onder meer Hoge Raad 12 mei 2017 ECLI:NL:HR:2017:871).
Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de wijziging van de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank is van oordeel dat de vader eerder een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie had moeten doen, als hij de hoogte van de kinderalimentatie eerder gewijzigd had willen hebben. Het feit dat de ouders al langer via hun advocaten corresponderen over de kinderalimentatie, is onvoldoende reden om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht opnieuw te berekenen. Daarbij speelt in dit geval ook mee dat de door de vader genoemde wijzigingen er niet toe hebben geleid dat hij onvoldoende draagkracht had om de overeengekomen kinderalimentatie te voldoen, wat hij tijdens de zitting desgevraagd heeft bevestigd. De rechtbank houdt ook rekening met het consumptieve karakter van kinderalimentatie; de bedragen die de vader ten behoeve van [minderjarige 1] heeft betaald zijn opgegaan en ten goede gekomen van [minderjarige 1] .
De rechtbank zal de herberekening van de kinderalimentatie in redelijkheid dan ook maken met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift door de vader, namelijk (afgerond naar de eerste van de maand) 1 februari 2024. Vanaf die datum hebben beide partijen rekening kunnen houden met een mogelijke wijziging van de eerder overeengekomen kinderalimentatie.
Behoefte van [minderjarige 1]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun relatie worden bepaald.
De relatie van de vader en de moeder is beëindigd in 2015. De vader heeft het NBI van de moeder in 2015 berekend op € 1.230,- per maand op basis van een bruto jaarinkomen van € 15.293,- en hij heeft zijn eigen NBI in 2015 berekend op € 2.168,- per maand op basis van een bruto jaarinkomen van € 35.995,-. Het netto besteedbaar gezinsinkomen bedroeg in 2015 € 3.398,- per maand, waarmee de vader de behoefte van [minderjarige 1] in 2015 heeft berekend op € 518,- per maand. Geïndexeerd bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] volgens zijn berekening dan € 655,- per maand in 2024.
De moeder betwist de door de vader berekende behoefte van [minderjarige 1] in 2015 niet, maar zij stelt wel dat het inkomen van de vader in 2019 en 2020 zodanig is gestegen dat het hoger is dan het gezinsinkomen tijdens de samenleving. In 2020 bedroeg het NBI van de vader € 4.320,- per maand op basis van een winst uit onderneming van € 73.378,- en rekening houdend met de ondernemersaftrek en heffingskortingen. De moeder berekent de behoefte van [minderjarige 1] vervolgens op € 747,- per maand in 2020 op basis van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.550,- per maand, waarbij zij ook haar NBI van € 1.230,- per maand heeft opgeteld. Geïndexeerd bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] volgens haar berekening dan € 861,- per maand in 2024.
De rechtbank volgt de herberekening van de moeder niet. Op zichzelf is juist dat een (aanzienlijke) stijging van het inkomen van een ouder, voor zover dit inkomen door die stijging hoger is dan het gezinsinkomen tijdens de samenleving, in beginsel invloed moet hebben op de vaststelling van de behoefte. De gedachte hierachter is dat als het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, die verhoging namelijk ook een positieve invloed zou hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van het kind zou zijn uitgegeven. Uit het Rapport Alimentatienormen blijkt dat de behoefte (het eigen aandeel van de ouders in de kosten van een kind) in zo’n situatie opnieuw moet worden bepaald op basis van dat hogere inkomen van díe ouder, zonder dat daarbij ook nog rekening wordt gehouden met het inkomen van de andere ouder. De moeder heeft in haar herberekening van de behoefte van [minderjarige 1] echter gerekend met zowel het hogere NBI van de vader als met háár NBI. Dat is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op Rapport Alimentatienormen, in ieder geval niet juist.
Stel dat de behoefte van [minderjarige 1] in 2020 opnieuw zou moeten worden bepaald op basis van het inkomen van de vader, dan geldt, uitgaande van de door de moeder berekende bedragen, het volgende. Op basis van een NBI van de vader van € 4.320,- in 2020, zou de behoefte van [minderjarige 1] in 2020 € 553,- per maand zijn. Dat bedrag is lager dan de door de vader berekende behoefte van [minderjarige 1] in 2015, die geïndexeerd naar 2020 € 568,- per maand bedraagt.
Gelet op het voorgaande en omdat de moeder de door de vader berekende behoefte van [minderjarige 1] voor het overige niet heeft betwist, gaat de rechtbank uit van de behoefte van [minderjarige 1] zoals de vader die heeft berekend.
De behoefte van [minderjarige 1] bedraagt in 2024 dan € 655,- per maand en in 2025 € 697,- per maand.
Berekeningen voor twee periodes
Gebleken is dat de moeder in de periode van 1 februari 2024 tot 1 juni 2025 geen recht had op kindgebonden budget (KGB) omdat zij toen nog samenwoonde met haar (inmiddels ex-) partner. Vanaf 1 juni 2025 ontvangt zij weer KGB. De vader stelt dat de samenwoning een eigen keuze van de moeder is geweest, en dat het niet redelijk is om dit op hem af te wentelen.
De rechtbank overweegt dat indien wijziging wordt verzocht op grond van artikel 1:401 lid 1 BW en de gewijzigde omstandigheden aanwezig zijn, zij gehouden is bij de vaststelling van een onderhoudsbijdrage rekening te houden alle omstandigheden (Hoge Raad 7 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1480). Daaronder valt naar haar oordeel ook het al dan geen recht hebben op KGB. De moeder heeft aangetoond dat zij in de periode van 1 februari 2024 tot 1 juni 2025 geen recht had op KGB, en zij dit bedrag dus ook niet te besteden had aan de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . De rechtbank zal daarmee daarom in de draagkrachtberekening van de moeder over die periode geen rekening houden met KGB. Vanaf 1 juni 2025 had de moeder weer recht op KGB, en zal de rechtbank daarmee vanaf dat moment in de draagkrachtberekening van de moeder wel rekening houden. De rechtbank zal hierna daarom twee draagkrachtberekeningen maken:
van 1 februari 2024 tot 1 juni 2025;
met ingang van 1 juni 2025.
Afwijken woonbudget?
Als de rechtbank geen rekening houdt met het KGB, dan moet dat volgens de vader worden gecompenseerd in de woonlasten omdat zij die met haar partner heeft kunnen delen. De moeder heeft betwist dat daarop een correctie plaats moet vinden.
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van de ouders niet (geheel) in de behoefte van het kind kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait [(
0,3 x NBI), zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.
Zoals hierna bij de draagkrachtvergelijking zal blijken, bestaat er geen tekort aan gezamenlijke draagkracht om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om bij de bepaling van de draagkracht van de moeder van de het woonbudget af te wijken.
Berekening 1: van 1 februari 2024 tot 1 juni 2025
Draagkracht van de vader
Tussen de vader en de moeder is niet in geschil dat voor de bepaling van de draagkracht van de vader in 2024 kan worden uitgegaan van een winst uit onderneming van € 66.416,- per jaar, rekening houdend met de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling.
Wel is tussen partijen in geschil of daarnaast rekening moet worden gehouden met het rendement op cryptovaluta van de vader van € 40.488,- zoals blijkt uit het door de vader overgelegde fiscaal rapport aangifte inkomstenbelasting 2024. Volgens de moeder moet daarmee rekening worden gehouden. De vader betwist dat, stellende dat de crypto valuta fluctueert. De rechtbank acht het niet redelijk om bij de draagkrachtberekening rekening te houden met een rendement op crypto valuta, omdat dit niet kan worden aangemerkt als vast inkomensbestanddeel.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen (waaronder de inkomensafhankelijke combinatiekorting), berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2024 op € 4.301,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.065,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.270,-)]. De draagkracht van de vader bedraagt dan € 1.219,- per maand.
Draagkracht van de moeder
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder in 2024 zal de rechtbank uitgaan van haar bruto jaarinkomen van € 34.084,- zoals blijkt uit de door haar overgelegde jaaropgave 2024.
Gebleken is dat de moeder in deze periode geen recht had op KGB. De rechtbank zal daarmee daarom geen rekening houden, zoals hiervoor al is overwogen.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2024 op € 2.468,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder ook hoger is dan € 2.065,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan € 321,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.540,- per maand (€ 1.219 + € 321). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] (€ 655,-) te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 1.219 / 1.540 x 655 = € 518
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 321 / 1.540 x 655 =
€ 137
samen € 655
Van de totale behoefte van [minderjarige 1] komt een gedeelte van € 518,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 137,- per maand komt voor rekening van de moeder.
Aandeel vader behoefte [minderjarige 2]
De vader is samen met zijn vrouw draagplichtig voor hun zoon [minderjarige 2] . De door de vader gestelde – en door de moeder niet betwiste – behoefte van [minderjarige 2] bedraagt € 880,- per maand in 2024. De vader heeft de draagkracht van zijn vrouw in 2024 berekend op € 1.057,- per maand, wat door de moeder evenmin is betwist. De gezamenlijke draagkracht van de vader en zijn vrouw bedraagt dus (€ 1.219 + € 1.057) € 2.276,- per maand. Het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 2] is dan [(1.219 / 2.276) x 880] € 471,- per maand.
Dit betekent dat de vader met zijn totale draagkracht van € 1.219,- per maand voldoende draagkracht heeft om zowel zijn aandeel in de kosten voor [minderjarige 1] (€ 518) als zijn in aandeel in de kosten voor [minderjarige 2] (€ 471) maandelijks te kunnen voldoen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om, zoals ook op de zitting met partijen is besproken, een zogenoemde samenloopberekening te maken waarbij de draagkracht direct naar rato van de behoefte van de kinderen wordt gesplitst, en houdt het bij een ‘zuivere’ draagkrachtvergelijking tussen de vader en de moeder. Op deze manier wordt voorkomen dat het eigen aandeel van de moeder in de kosten van [minderjarige 1] als gevolg van de gezinsuitbreiding bij de vader naar verhouding hoger zou worden. Bij voldoende draagkracht bestaat daarvoor geen goede grond.
Zorgkorting
Tussen de vader en de moeder is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de vader gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor [minderjarige 1] , geldt een percentage van 25. De zorgkorting bedraagt dan € 164,- per maand (25% van € 655).
Conclusie
Op basis van de hierboven gemaakte berekening bedraagt de door de vader te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] met ingang van 1 februari 2024 € 354,- per maand. Dat is hoger dan de geïndexeerde huidige kinderalimentatie van € 280,- per maand (in 2024). In het belang van [minderjarige 1] zal de rechtbank de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2024 daarom wijzigen naar € 354,- per maand.
De rechtbank merkt daarbij op dat de wettelijke indexering van artikel 1:402a BW op deze bijdrage van toepassing is per 1 januari 2025. Na toepassing van de indexering (6,5%) bedraagt de door de vader te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] € 377,- per maand. Deze bijdrage geldt dus voor de periode van 1 januari 2025 tot 1 juni 2025.
Berekening 2: met ingang van 1 juni 2025
Behoefte van [minderjarige 1]
Geïndexeerd bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] € 698,- per maand in 2025.
Draagkracht van de vader
In navolging van partijen zal de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de vader in 2025 met dezelfde financiële gegevens rekenen als in 2024. Op basis daarvan berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 4.299,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan € 1.189,- per maand.
Draagkracht van de moeder
De rechtbank zal ook voor de bepaling van de draagkracht van de moeder in 2025, net als bij de v met dezelfde inkomensgegevens rekenen als in 2024. Omdat de moeder vanaf 1 juni 2025 weer recht heeft op KGB, houdt de rechtbank daar in deze berekening ook rekening mee. Op basis daarvan berekent de rechtbank het NBI van de moeder op € 3.015,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan € 561,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.750,- per maand (€ 1.189 + € 561). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 1.189 / 1.750 x 698 = € 474
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 561 / 1.750 x 698 =
€ 224
samen € 698
Van de totale behoefte van [minderjarige 1] komt een gedeelte van € 474,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 224,- per maand komt voor rekening van de moeder.
Aandeel behoefte [minderjarige 2]
De vader heeft de behoefte van [minderjarige 2] in 2025 berekend op € 990,- per maand en de draagkracht van zijn vrouw in 2025 op € 1.063,- per maand, wat door de moeder niet is betwist. De gezamenlijke draagkracht van de vader en zijn vrouw bedraagt dus (€ 1.189 + € 1.063) € 2.252,- per maand. Het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 2] is dus [(1.189 / 2.252) x 990] € 523,- per maand. Dit betekent dat de vader met zijn totale draagkracht van € 1.189,- per maand voldoende draagkracht heeft om zowel zijn aandeel in de kosten voor [minderjarige 1] (€ 474) als zijn in aandeel in de kosten voor [minderjarige 2] (€ 523) maandelijks te kunnen voldoen. De rechtbank ziet ook in deze periode daarom geen aanleiding om een zogenaamde samenloop-berekening te maken, en houdt het bij een ‘zuivere’ draagkrachtvergelijking.
Zorgkorting
De zorgkorting bedraagt € 174,- per maand (25% van € 698).
Conclusie
Op basis van de hierboven gemaakte berekening bedraagt de door de vader te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] met ingang van 1 juni 2025 € 300,- per maand. De rechtbank zal de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juni 2025 daarom wijzigen naar € 300,- per maand.
Vorderingen
Terugbetaling te veel betaalde kinderalimentatie
De vordering van de vader dat de moeder aan hem de te veel betaalde kinderalimentatie moet terugbetalen zal worden afgewezen. Zoals uit de hiervoor gemaakte berekeningen blijkt heeft de vader immers juist te weinig kinderalimentatie betaald.
Achterstallige kinderalimentatie
De moeder stelt dat de vader vanaf 2017 maandelijks € 231,42 aan kinderalimentatie heeft betaald, en dat hij nooit de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW heeft betaald. De vader heeft tijdens de zitting erkend dat hij de wettelijke indexering nooit heeft betaald, en heeft daarbij aangegeven dat dit voor hem op den duur een pressiemiddel was om een wijziging van de kinderalimentatie te bewerkstelligen.
Omdat de kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2024 zal worden gewijzigd, geldt voor de jaren daarvoor de tussen de ouders afgesproken kinderalimentatie met toepassing van de wettelijke jaarlijkse indexering. De moeder heeft verzocht de vader te veroordelen tot betaling aan haar van de achterstallige wettelijke indexering van de kinderalimentatie over de periode 1 april 2019 (vijf jaar vóór indiening van het zelfstandig verzoek) tot 1 februari 2024.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen op de wijze zoals in het dictum is opgenomen. Daarbij volgt de rechtbank de volgende door de moeder gemaakte berekening, die zij ten aanzien van 2021 en 2024 heeft aangepast:
2019: (236,77 – 231,42) * 9 = € 48,15
2020: (242,69 – 231,42) * 12 = € 135,24
2021: (249,97 – 231,42) * 12 = € 222,60
2022: (254,72 – 231,42) * 12 = € 279,60
2023: (263,38 – 231,42) * 12 = € 383,52
2024: (279,71 – 231,32) * 1 = € 48,39
Totaal= €
1.117,50
Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat de jaarlijkse indexering van de bijdrage op grond van artikel 1:402a BW uit de wet voortvloeit. Dit betekent dat de hiervoor vastgestelde bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met de wettelijk vast te stellen indexering en dat de vader gehouden is de aldus verhoogde alimentatie te voldoen.
Overige kosten (school- en ziektekosten)
Volgens de aanbevelingen in het Rapport alimentatienormen 2025 draagt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de verblijfsoverstijgende kosten. Die kosten worden geacht te zijn begrepen in de kinderalimentatie die conform de wettelijke maatstaven is vastgesteld. De vader en de moeder zijn in het ouderschapsplan overeengekomen dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en dat de vader aan de moeder een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] betaalt. Verder hebben zij in het ouderschapsplan opgenomen dat zij kosten van opleiding, boekengeld, schoolgeld, schoolreisjes en reiskosten etc beiden zullen dragen.
Gebleken is dat de vader en de moeder nooit uitvoering hebben gegeven aan de afspraak dat de vader mee betaalt aan de hiervoor genoemde kosten. De moeder vordert de helft van deze kosten (waaronder kosten voor een laptop, een beugel en ook schoolreisjes en de vrijwillige ouderbijdrage) die zij de afgelopen vijf jaar heeft gemaakt van in totaal € 1.438,91 terug. De vader stelt dat de moeder nooit met hem overleg heeft gevoerd over deze kosten en deze kosten niet eerder aan hem heeft medegedeeld. Het is volgens hem niet redelijk dat hij deze kosten met terugwerkende kracht zou moeten voldoen, terwijl hij nooit toestemming heeft gegeven voor het maken van deze kosten.
De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van de bepaling in het ouderschapsplan met zich brengt dat vooraf overleg wordt gepleegd voordat de betreffende kosten worden gemaakt, of in ieder geval kort na het maken van die kosten. Het kan niet zo zijn dat één ouder zonder overleg met de andere ouder kosten maakt en die kosten vervolgens pas jaren later in een procedure bij de andere ouder neerlegt. Tijdens de zitting is gebleken dat de moeder deze kosten inderdaad nooit heeft besproken met de vader. Als er kosten voor [minderjarige 1] worden gemaakt die volgens de moeder op grond van de bepaling in het ouderschapsplan voor de helft door de vader moeten worden gedragen, had het op de weg van de moeder gelegen om hierover tijdig met de vader in overleg te gaan. De rechtbank wijst de vordering van de moeder daarom af.
Proceskosten
De rechtbank ziet in het door de moeder gestelde geen aanleiding om de vader te veroordelen in de proceskosten. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen en de rechtbank zal de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld, zoals gebruikelijk is in procedures van familierechtelijke aard.

Beslissing

De rechtbank - met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regelingen in het ouderschapsplan van februari 2016 en de beschikking van deze rechtbank van 1 juni 2016 - :
*
bepaalt de door de vader te betalen kinderalimentatie voor de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] :
  • met ingang van 1 februari 2024 op € 354,- per maand;
  • met ingang van 1 januari 2025 op € 377,- per maand;
  • met ingang van 1 juni 2025 op € 300,- per maand;
vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder moet betalen een bedrag van € 1.117,50 wegens achterstallige wettelijke indexering van de kinderalimentatie over de periode van 1 april 2019 tot 1 februari 2024;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, bijgestaan door mr. M.I. Noordegraaf als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 november 2025.