AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens bezwaarprocedure verblijfsvergunning
Verzoekers, allen van Nigeriaanse nationaliteit, hebben een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRMPro, gericht op het uitoefenen van hun privéleven in Nederland. Deze aanvraag is bij besluit van 9 februari 2024 door de minister van Asiel en Migratie afgewezen. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit en tegelijkertijd de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen zodat zij in Nederland kunnen blijven totdat het bezwaar is behandeld.
De minister heeft op 5 februari 2025 laten weten zich niet te verzetten tegen het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:81 AwbPro beoordeeld dat er geen beletselen zijn om het verzoek toe te wijzen. Dit betekent dat de minister verzoekers niet mag uitzetten of voorbereidingen daartoe mag treffen totdat op het bezwaar is beslist.
Daarnaast is de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekers, vastgesteld op € 907,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door rechter C.H. de Groot en is openbaar gemaakt op 20 februari 2025. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de minister mag verzoekers niet uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.5341
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekers],
geboren op [geboortedatum],
V-nummer: [vnummer],
en haar minderjarige kinderen
[verzoekers]
geboren op [geboortedatum],
[verzoekers],
geboren op [geboortedatum],
allen van Nigeriaanse nationaliteit
hierna te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. J. Sinnema),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekers om een voorlopige voorziening.
1.1
Bij besluit van 9 februari 2024 (primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekers om verlening van een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘uitoefenen privéleven op grond van artikel 8 EVRMPro’ afgewezen.
1.2
Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat verzoekers het besluit op het bezwaar in Nederland mogen afwachten.
1.3
De minister heeft op 5 februari 2025 per brief laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Nu de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoekers niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgen verzoekers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoekers en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist;
veroordeelt de minister in de proceskosten van € 907-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van B.A. van der Wiel griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.