ECLI:NL:RBDHA:2025:24666

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
21 december 2025
Zaaknummer
C/09/693679 / JE RK 25-1832
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schriftelijke aanwijzing en vaststellen zorgregeling in het belang van de minderjarige

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling te vervallen en een nieuwe zorgregeling vast te stellen. De moeder, die belast is met het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind, verzocht om drie keer per week onbegeleid contact met haar kind. De gecertificeerde instelling had eerder beperkingen opgelegd aan het contact, wat leidde tot deze procedure. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de beperkingen in het contact in het belang van de minderjarige noodzakelijk zijn. De kinderrechter heeft de moeder gehoord en de situatie van de minderjarige in overweging genomen, waarbij de kwetsbaarheid van het kind en de verslavingsproblematiek van de moeder zijn meegewogen. De kinderrechter heeft geoordeeld dat de huidige regeling in het belang van de minderjarige is en heeft het verzoek van de moeder afgewezen. Tevens is het verzoek tot geschillenbeslechting ingetrokken, waardoor er geen verdere beslissing meer nodig was. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldigheid en proportionaliteit in zaken die het gezinsleven en de omgang tussen ouders en kinderen betreffen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/693679 / JE RK 25-1832
Datum uitspraak: 20 november 2025
Beschikking van de kinderrechterAfwijzing vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en vaststellen zorgregeling ex artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek
Niets meer te beslissen over verzoek tot geschillenbeslechting ex artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek
in de zaak van
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. Erkens uit Den Haag,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 oktober 2025;
- het verweerschrift van de gecertificeerde instelling met bijlagen van 30 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] en [naam 2], vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 april 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 oktober 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 16 februari 2026.
2.5.
De gecertificeerde instelling heeft in een e-mail van 14 oktober 2025 de contacten tussen de met het gezag belaste moeder en [minderjarige] als volgt vastgelegd:
“Het is van groot belang dat de omgang tussen moeder en [minderjarige] op een veilige manier wordt vormgegeven. Vanuit de gecertificeerde instelling zullen er dan ook voorwaardes opgesteld worden waar moeder zich aan dient te houden.
De voorwaardes zijn als volgt:
- moeder is niet onder invloed van drugs;
- moeder is niet onder invloed van alcohol;
- moeder is in de samenwerking met de gecertificeerde instelling;
- moeder kan op een rustige manier in contact zijn met pleegmoeder;
- moeder kan aansluiten op de behoeftes van [minderjarige].
De gecertificeerde instelling haar voornemen is om het bezoek twee keer in de week 30 minuten te laten plaats vinden en dit over 2 weken te evalueren met alle betrokken partijen.”

3.Het verzoek

3.1.
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling geheel vervallen te verklaren en een nieuwe contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen waarbij de moeder drie keer per week gedurende drie uur onbegeleid contact heeft met [minderjarige]. De moeder verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het verzoek tot geschillenbeslechting is ter zitting ingetrokken.
3.2.
Door en namens de moeder is het verzoek als volgt onderbouwd. Op de zitting van 14 oktober 2025 was besproken dat de moeder na haar detox bij [zorginstantie] aangemeld zou worden bij een moeder-kindvoorziening met [minderjarige]. Op de zitting is expliciet bevestigd dat er verder geen voorwaarden werden gesteld aan de moeder en is het belang van contact tussen de moeder en [minderjarige] benadrukt. De gecertificeerde instelling zou direct contact opnemen met [zorginstantie] dat er geen voorwaarden zijn en de aanmelding doorgezet kan worden. De gecertificeerde instelling heeft vervolgens in een e-mail van 14 oktober 2025 aan de moeder medegedeeld dat de moeder twee keer per week 30 minuten omgang heeft met [minderjarige], begeleid en op het kantoor van de gecertificeerde instelling. Daarbij werden ook voorwaarden aan de moeder gesteld. Deze e-mail van de gecertificeerde instelling is een besluit dat geldt als schriftelijke aanwijzing. Daarna is de omgang uitgebreid naar een uur. Dat besluit is op grond van 6:19 Awb ook onderdeel van de procedure. De afgelopen periode zijn de bezoekmomenten met [minderjarige] heel goed verlopen en de moeder heeft sinds kort haar eigen woning. De moeder heeft echter ook een terugval gehad in haar drankgebruik. De moeder is daar open over geweest naar de gecertificeerde instelling en heeft goed contact met [zorginstantie]. De moeder heeft geleerd van haar fout en zal op eigen initiatief weer naar de detox gaan van 27 november tot en met 4 december 2025. Met de moeder zou er gekeken worden naar de mogelijkheden voor een terugvalpreventieplan, maar daar heeft de moeder nog niks over gehoord.
De advocaat heeft bepleit dat de schriftelijke aanwijzing onzorgvuldig tot stand is gekomen. De moeder is niet gehoord over het genomen besluit en de beperkingen van het contact zijn onvoldoende gemotiveerd, niet noodzakelijk en niet proportioneel. In de schriftelijke aanwijzing is niet toegelicht waarom de omgang is beperkt tot een half uur. Vervolgens is ook geen reden gegeven waarom de omgang slechts is uitgebreid naar een uur en niet naar een langere duur en waarom de omgang niet vaker kan plaatsvinden. Er blijkt nergens uit dat [minderjarige] overprikkeld zou raken of onveiligheid zou ervaren van het contact met de moeder als dat langer zou duren of vaker zou plaatsvinden. Een uitbreiding in duur en frequentie van het contact helpt [minderjarige] juist om te wennen aan de moeder en is goed voor de continuïteit. Verder is niet toegelicht waarom het bezoek op het kantoor van de gecertificeerde instelling moet plaatsvinden. Het contact kan ook bij de moeder of eventueel bij de pleegouders plaatsvinden, op een meer ontspannen plek voor de moeder en [minderjarige]. Tot slot is niet toegelicht waarom de omgang begeleid moet plaatsvinden. Als de moeder niet heeft gebruikt is er ook geen toezicht nodig en is die inbreuk niet noodzakelijk. Voorafgaand aan het contactmoment kan worden vastgesteld dat de moeder nuchter is waarna er geen begeleiding nodig is. Het is in het belang van de uithuisplaatsing noodzakelijk dat het contact zo snel mogelijk wordt uitgebreid en er een omgangsplan wordt gemaakt, mede gelet op de aanmelding van de moeder bij het moeder-kindhuis en de geplande intake op 25 november 2025.

4.De standpunten

4.1.
De gecertificeerde instelling heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. [minderjarige] is op 25 oktober 2025 overgeplaatst van de netwerkpleegmoeder naar een crisispleeggezin vanwege dreigingen van de vader richting de netwerkpleegmoeder. Het gaat daar goed met [minderjarige] en hij kan daar blijven tot de moeder aan haar traject kan starten in het moeder-kindhuis. De moeder is aangemeld voor het moeder-kindhuis en op 25 november 2025 staat de intake gepland. Op dit moment is er geen wachtlijst en na de intake zal duidelijk zijn welke voorwaarden het moeder-kindhuis aan de moeder stelt en wat er nog nodig is voor de plaatsing. Aanvankelijk kwam de moeder bij de netwerkpleegmoeder thuis voor de omgang met [minderjarige]. Het contact in die periode verliep wisselend doordat de afspraken niet goed werden nagekomen door de moeder. De omgang tussen de moeder en [minderjarige] kwam hierdoor stil te liggen, omdat de netwerkpleegmoeder dit niet meer wilde organiseren. Na de zitting van 14 oktober 2025 is meteen een e-mail gestuurd om zo snel mogelijk opnieuw de omgang op te starten tussen de moeder en [minderjarige]. Er is gestart met 30 minuten omgang om te observeren hoe het contact tussen de moeder en [minderjarige] zou gaan. Dit verliep goed en na het gezamenlijk overleg op 30 oktober 2025, waarbij de moeder ook is gehoord, is het contact uitgebreid naar 60 minuten.
De gecertificeerde instelling betwist dat er onzorgvuldig is gehandeld. Het besluit is kenbaar gemaakt aan de moeder en haar advocaat en de moeder is daarna gehoord. De gecertificeerde instelling heeft zorgvuldig afgewogen wat in deze fase verantwoord is voor [minderjarige]. [minderjarige] is een jong en kwetsbaar kindje en instabiliteit en middelengebruik bij een ouder kan de hechting verstoren en gevoelens van onveiligheid versterken. Het is belangrijk dat de omgangsmomenten plaatsvinden in een setting waar rust, continuïteit en veiligheid is en er voldoende zicht is op de belastbaarheid van de moeder en de kwaliteit van de interactie. Er wordt ook toegewerkt naar een verdere uitbreiding van het contact, maar een geleidelijke opbouw is daarin noodzakelijk voor de veiligheid van [minderjarige]. Daarbij wordt ook gezien dat de moeder beschikbaar wil zijn voor [minderjarige], maar dat het haar ondanks de liefde voor [minderjarige] niet altijd lukt om keuzes te maken die in het belang van [minderjarige] zijn. De moeder heeft een terugval gehad waardoor twee omgangsmomenten niet zijn doorgegaan. Verder is [minderjarige] na de bezoeken zichtbaar moe, waarbij de reis naar het contactmoment ook belastend voor hem is. Met de moeder is besproken dat op het gezamenlijk overleg van 1 december 2025 opnieuw met de moeder gekeken zal worden of verdere uitbreiding mogelijk is en of het bezoek op een andere, minder belastende locatie kan plaatsvinden.

5.De beoordeling

Schriftelijke aanwijzing
5.1.
Op grond van artikel 1:265f, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de gecertificeerde instelling, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Deze beslissing van de gecertificeerde instelling geldt als een schriftelijke aanwijzing en de artikelen 1:264 en 1:265 BW zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechtbank een zodanige regeling kan vaststellen als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat de e-mail van 14 oktober 2025 van de gecertificeerde instelling aan de moeder aangemerkt moet worden als een schriftelijke aanwijzing als bedoeld in artikel 1:265f BW. De e-mail is een schriftelijk bericht dat afkomstig is van een bestuursorgaan (de gecertificeerde instelling) waarin het contact tussen de gezaghebbende moeder en [minderjarige] is beperkt en is vastgelegd hoe en wanneer het contact zal plaatsvinden.
5.3.
Ambtshalve toetsing van de ontvankelijkheid van het verzoek tot vervallenverklaring leidt tot de conclusie dat aan alle ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. De kinderrechter is ook van oordeel dat de gecertificeerde instelling op basis van voornoemd artikel 1:265f, eerste lid, BW bevoegd was om de schriftelijke aanwijzing te geven. De kinderrechter dient vervolgens te beoordelen of de gecertificeerde instelling die bevoegdheid juist heeft aangewend. Daarbij is het volgende van belang.
5.4.
Een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat aan de hand van het bepaalde in de hoofdstukken 3 en 4 van de Awb beoordeeld moet worden of bij de besluitvorming door de gecertificeerde instelling de algemene voorschriften over zorgvuldigheid, evenredigheid en een deugdelijke motivering in acht zijn genomen. Een schriftelijke aanwijzing is gericht op enig rechtsgevolg en niet de vorm, maar de inhoud van het bericht is hierbij bepalend.
Verder moet de kinderrechter beoordelen of er nog altijd voldoende grond is voor de schriftelijke aanwijzing. Het beperken van contact tussen ouders en kinderen betekent een inbreuk op het recht op eerbieding van het gezinsleven (family life) als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze inbreuk mag niet verder gaan dan in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Hoe ver de beperking kan gaan, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Nadat een kind uit huis is geplaatst, rust er een grote verantwoordelijkheid op een EVRM-verdragsstaat om het bezoekrecht van een ouder met het kind te waarborgen. De beoordeling door de kinderrechter vindt plaats op basis van de situatie zoals die nu is (ex nunc), waarbij de kinderrechter rekening dient te houden met eventuele gewijzigde omstandigheden sinds de schriftelijke aanwijzing werd gegeven.
5.5.
De kinderrechter is, anders dan de advocaat namens de moeder heeft bepleit, van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en de beperkingen in het contact tussen de moeder en [minderjarige] niet verder gaan dan in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Op de zitting van 14 oktober 2025 is besproken dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] zo snel mogelijk moest worden opgestart. De gecertificeerde instelling heeft vervolgens diezelfde dag de schriftelijke aanwijzing gestuurd waarin is opgenomen hoe het contact tussen de moeder en [minderjarige] eruit zou komen te zien waarbij het eerste contactmoment al op 16 oktober 2025 zou plaatsvinden. Gelet op de noodzaak om zo snel mogelijk het contact tussen de moeder en [minderjarige] te herstellen is de moeder niet gehoord vóór het nemen van het besluit. De moeder is daarna wel gehoord, waaronder tijdens het gezamenlijke overleg op 30 oktober 2025 waarbij ook de uitbreiding van het contact van 30 minuten naar 60 minuten is besproken met de moeder. Op 1 december 2025 staat het volgende gezamenlijke overleg gepland waarbij opnieuw met de moeder gekeken zal worden naar de mogelijkheden om het contact uit te breiden. De moeder is dan ook voldoende gehoord.
Verder heeft de gecertificeerde instelling in haar e-mails, haar verweerschrift en ter zitting uitvoerig gemotiveerd hoe zij is gekomen tot de beperkingen in het contact in het belang van [minderjarige]. De omgang bevindt zich op dit moment in een opbouwende fase waarbij rekening moet worden gehouden met de belastbaarheid van [minderjarige]. [minderjarige] is een jong en kwetsbaar kind dat nu nog geen 16 maanden oud is. Met de huidige duur en frequentie van de omgang is [minderjarige] zichtbaar moe na de contactmomenten met de moeder. De moeder werkt hard aan zichzelf, maar kampt ook met verslavingsproblematiek. Zij heeft de afgelopen periode een terugval gehad waarbij zij te laat en onder invloed bij het contactmoment aankwam. Dit brengt risico’s en onzekerheid met zich mee voor de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige]. Daarbij kan het lastig zijn om voor het contactmoment vast te stellen in hoeverre de moeder nuchter is en of het contact veilig kan plaatsvinden, waardoor begeleiding op dit moment nog noodzakelijk is. De kinderrechter vertrouwt erop dat de omgang regelmatig tussentijds geëvalueerd zal blijven worden door de gecertificeerde instelling en met inachtneming van de veiligheid en het belang van [minderjarige] waar mogelijk zal worden uitgebreid. Daarbij heeft de gecertificeerde instelling ook de bereidheid uitgesproken om bij het eerstvolgende gezamenlijke overleg te kijken naar de mogelijkheden om de omgang op een andere -minder belastende- plek te laten plaatsvinden. De kinderrechter ziet dan ook geen reden om op grond van artikel 1:265f lid 2 BW een andere zorgregeling vast te stellen.
5.6.
De kinderrechter zal het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing en het vaststellen van een nieuwe zorgregeling daarom afwijzen.
Geschillenbeslechting
5.7.
Door en namens de moeder is ter zitting het eerder ingediende verzoek tot geschillenbeslechting ingetrokken. Daartoe is aangedragen dat de moeder inmiddels is ingeschreven voor het moeder-kindhuis en de intake gepland staat op 25 november 2025. De kinderrechter constateert daarom dat hij in de onderhavige zaak geen beslissing meer hoeft te nemen

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst af het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing en vaststelling van een nieuwe zorgregeling;
6.2.
stelt vast dat er ten aanzien van het verzoek tot geschillenbeslechting niets meer te beslissen is.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025 door mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 8 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.