ECLI:NL:RBDHA:2025:24680

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
21 december 2025
Zaaknummer
09/182544-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf en tbs met voorwaarden voor gekwalificeerde opzetaanranding van een jonge jongen in een trein

Op 16 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van gekwalificeerde opzetaanranding van een dertienjarige jongen. De verdachte, geboren in 1958 en op dat moment gedetineerd, werd beschuldigd van het verrichten van seksuele handelingen met het slachtoffer in een trein op 15 juni 2025. De rechtbank heeft het onderzoek gehouden op 15 september en 2 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. A. Briejer, de verdachte heeft aangeklaagd en de verdediging werd gevoerd door mr. R. Poyraz. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de jongen in een volle trein heeft geïsoleerd en seksuele handelingen heeft verricht, waarbij dwang werd toegepast. De rechtbank oordeelde dat de verdachte schuldig was aan het primair ten laste gelegde feit en legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op, met de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden. De rechtbank heeft ook een gedragsbeïnvloedende maatregel opgelegd, gezien het hoge recidiverisico en de ernst van het feit. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij, het slachtoffer, toegewezen tot een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank heeft de verdachte ook verplicht om dit bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer. De uitspraak benadrukt de impact van het delict op het slachtoffer en zijn omgeving, en de noodzaak van behandeling voor de verdachte.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/182544-25
Datum uitspraak: 16 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1958 te [geboorteplaats],
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats], locatie [locatie].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 15 september 2025 (pro forma) en 2 december 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. R. Poyraz naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 juni 2025 te 's-Gravenhage, althans ergens op het treintraject tussen Gouda en 's-Gravenhage, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer], ([slachtoffer]), geboren op [geboortedatum 2] 2011, een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van en/of wrijven over de penis van die [slachtoffer],
en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door in een (over)volle treincoupe op onverhoedse wijze te handelen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 juni 2025 te 's-Gravenhage, althans ergens op het treintraject tussen Gouda en 's-Gravenhage, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] ([slachtoffer]), geboren op [geboortedatum 2] 2011, een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van en/of wrijven over de penis van die [slachtoffer].

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2025197369, van de politie eenheid Den Haag (doorgenummerd pagina 1 t/m 39).
De rechtbank gebruikt voor de bewezenverklaring van het
primair ten laste gelegdede volgende bewijsmiddelen:
1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 december 2025, voor zover inhoudende:
Op 15 juni 2025 reisde ik met de trein van Gouda naar Den Haag. Toen ik instapte zag ik die jongen staan. Daar ben ik bij gaan staan. Ik heb zijn gulp opengedaan en toen heb ik over de onderbroek zijn penis betast.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer], voor zover inhoudende (blz. 26):
We zaten in de trein van Utrecht naar Den Haag. Toen we bij Gouda waren stapten er twee mannen in. Het was eigenlijk al bomvol in de trein. Doordat die mannen instapten werd ik een beetje naar het midden geduwd en stond ik niet meer bij mijn moeder en mijn broertje. Een van de mannen die instapte ging naast mij staan en maakte zich heel breed. Toen ging hij vrij snel met zijn hand richting mijn broek en over die hand legde hij zijn jas. Ik voelde dat de man met zijn vingers de rand van de gulp van mijn broek vasthield. Toen ging hij met zijn vingers in mijn gulp. Hij wreef met twee vingers over mijn onderbroek en over mijn piemel. Minimaal 10 minuten wel. Ik wist niet wat ik moest doen en toen vroeg ik aan mijn moeder of ik bij haar mocht staan, maar dat ging niet omdat het zo druk was.
Ik bevroor gewoon. Ik had dit nog nooit eerder meegemaakt, ik wist gewoon niet wat ik moest doen.
3. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever], voor zover inhoudende (blz. 21 en 22):
Een meneer is in de trein met zijn hand in de broek van mijn zoon gegaan en heeft aan zijn geslachtsdeel gezeten. Vandaag op 15 juni 2025. In de trein tussen Gouda en Den Haag centraal in. Het was heel erg druk. De man was in Gouda ingestapt. De man kwam binnen en ging tussen mij en [slachtoffer] in staan. Ik kon [slachtoffer] nog wel zien staan, maar dan alleen borst en hoofd. De rest van [slachtoffer] was uit zicht. De man stond met zijn rug naar mij toe. Ik had wel oogcontact met [slachtoffer] en ik dacht op een gegeven moment dat ik iets aan zijn ogen zag. Er was iets met hem. Op een gegeven moment vroeg hij of hij bij ons kon komen staan. Ik dacht nog bij mijzelf dat de man moet hebben gehoord dat [slachtoffer] mij aansprak en dat hij had kunnen reageren om [slachtoffer] naar mij toe te kunnen laten komen. Maar de man reageerde niet. De man stond breed uit op zijn plek en stil. Hij bewoog bijna niet. Ik vond het gek omdat er naast de man nog ruimte was om [slachtoffer] er langs te laten.
3.4.
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, omdat de verdachte geen dwang heeft gebruikt bij het verrichten van de seksuele handelingen.
Bij het beoordelen van het verweer van de raadsvrouw stelt de rechtbank voorop dat voor het aannemen van dwang sprake dient te zijn geweest van een zodanig pressie van de dader op het slachtoffer, dat het slachtoffer door die dwang niet of in verminderde mate de mogelijkheid had een vrije keuze te maken. De pressie kan een veelheid aan gedaanten aannemen, zoals een fysiek beletsel, in het nauw drijven of overrompelen. Of het gebruik van een dwangmiddel in een specifiek geval resulteert in dwang hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van dat geval.
In onderhavige zaak neemt de rechtbank bij het beoordelen van de vraag of sprake was van dwang in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte na het instappen in de (over)volle trein precies tussen [slachtoffer] en zijn moeder in ging staan, met zijn rug naar de moeder van [slachtoffer] toe, en zich heel breed maakte. Hiermee isoleerde de verdachte de jonge [slachtoffer] van zijn moeder. Kort hierna deed de verdachte onverhoeds de gulp van [slachtoffer] zijn broek open en verrichte hij de ten laste gelegde seksuele handelingen. [slachtoffer] werd totaal overrompeld door het handelen van de verdachte. Hij bevroor en wist niet wat hij moest doen. De verdachte bleef hierna minstens tien minuten doorgaan met het betasten van de penis van [slachtoffer] en het blokkeren van goed zicht op [slachtoffer] door zich breed te maken en zijn hand te bedekken met zijn jas. Zelfs toen [slachtoffer] aan zijn moeder vroeg of hij bij haar mocht staan, een vraag die verdachte moet hebben gehoord, gelet op de korte afstand waarop hij van [slachtoffer] stond, bleef de verdachte breeduit en stil staan. Gelet op de drukte in de trein was er eveneens minder bewegingsvrijheid voor [slachtoffer] om zich te onttrekken aan de verdachte.
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd komt de rechtbank op grond van voornoemde feiten en omstandigheden tot de conclusie dat de verdachte meerdere dwangmiddelen op [slachtoffer] heeft toegepast - isoleren, onverhoeds handelen, overrompelen -, waardoor [slachtoffer] niet of in verminderde mate de mogelijkheid had zich aan de situatie te onttrekken.
De rechtbank is van oordeel dat de door de verdachte gebruikte dwangmiddelen resulteren in de ten laste gelegde dwang en dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 15 juni 2025, ergens op het treintraject tussen Gouda en ’s-Gravenhage, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] ([slachtoffer]), geboren op [geboortedatum 2] 2011, een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van en/of wrijven over de penis van die [slachtoffer],
en welke aanranding werd voorafgaan door en vergezeld van dwang, door in een (over)volle treincoupe op onverhoedse wijze te handelen.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat hem de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden wordt opgelegd. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) aan de verdachte wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het voorarrest op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsvrouw heeft voorts naar voren gebracht dat de verdachte zich kan vinden in oplegging van tbs met voorwaarden en de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde van opname in een klinische zorginstelling. Zij heeft de rechtbank verzocht deze voorwaarde niet aan de verdachte op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetaanranding van een destijds dertienjarige jongen. De verdachte heeft in een volle trein meer dan tien minuten (over de onderbroek) de penis van die jongen betast en erover gewreven. Dit is een ernstig feit, waarmee de verdachte een ontoelaatbare inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat jeugdige slachtoffers van zedendelicten daar vaak nog geruime tijd negatieve gevolgen van ondervinden. Uit de spreekrechtverklaring van de moeder van het slachtoffer komt indringend naar voren hoe groot de impact van het gebeurde is. Het slachtoffer schaamt zich voor wat er is gebeurd, hij voelt zich er schuldig over en hij voelt spanning als hij weer met de trein reist. Ook heeft het handelen van de verdachte hem aangetast in zijn onschuld en in zijn vertrouwen in de medemens. Bovendien heeft het gebeurde zijn weerslag op de andere gezinsleden. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op zijn strafblad van 16 juni 2025. Hieruit volgt dat de verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De verdachte is toen onder meer veroordeeld tot een taakstraf, deels voorwaardelijke gevangenisstraffen met diverse kaders als bijzondere voorwaarden en lange proeftijden.
Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het geïntegreerd psychologisch en psychiatrisch Pro Justitia-rapport van 20 oktober 2025, opgesteld door drs. [naam 1] (GZ-psycholoog) en drs. [naam 2] (psychiater) en hun antwoorden op aanvullende vragen van de raadsvrouw d.d. 30 november 2025.
De psycholoog en psychiater concluderen dat de verdachte lijdt aan autisme, een pedofiele stoornis en een frotteurismestoornis. Daarnaast is sprake van persoonlijkheidsproblematiek met vermijdende trekken. De psycholoog en psychiater concluderen dat hiervan eveneens sprake was ten tijde van het plegen van het feit en dat de stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit beïnvloedden. Zij adviseren de rechtbank daarom het feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De psycholoog en psychiater schatten het recidiverisico hoog in en achten behandeling en langdurige begeleiding noodzakelijk om het risico af te wenden. Zij adviseren een klinische start van de behandeling, gericht op nader onderzoek, het opstellen van een delictscenario, hernieuwde psycho-educatie over de beperkingen en problematiek van de verdachte, herziening van de libidoremmende medicatie en behandelinterventies gericht op de seksuele stoornissen. Vanwege het hoge recidiverisico, de ernst van het feit, de ingeschatte noodzaak van striktere kaders rondom behandeling en het feit dat eerdere behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel recidive niet heeft kunnen voorkomen, adviseren de psycholoog en psychiater de behandeling op te leggen in het kader van tbs met voorwaarden.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport dat de reclassering op 17 november 2025 over de verdachte heeft opgesteld. De reclassering heeft in haar rapport beschreven dat sprake is van een langdurig patroon van seksueel grensoverschrijdend gedrag, waarvoor de verdachte in het verleden meermalen onder toezicht van de reclassering heeft gestaan en waarvoor hij diverse ambulante behandelingen heeft gevolgd. Dit heeft niet geleid tot het gewenste resultaat. Mede daarom schat de reclassering het risico op recidive in als hoog.
De reclassering sluit zich aan bij het advies van de gedragsdeskundigen om behandeling op te leggen in het kader van tbs met voorwaarden. De reclassering neemt hierbij onder meer in aanmerking dat de complexe diepgewortelde problematiek bij de verdachte een zorgvuldig afgestemde aanpak vraagt, dat de verdachte de ernst van zijn seksuele problematiek enigszins bagatelliseert en relativeert en dat de beschermende factoren rondom de verdachte dienen te worden vergroot.
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van het psychologisch en psychiatrisch onderzoek worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank volgt deze conclusies en maakt deze tot de hare. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit leed aan ziekelijke stoornissen van zijn geestvermogens en dat het feit verminderd aan de verdachte moet worden toegerekend.
Gelet op het ziektebeeld en de problematiek van de verdachte, de aard en de ernst van het feit en het hoge recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een gevaar vormt voor de algemene veiligheid van personen. Nu ook overigens is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden zal de rechtbank de verdachte in lijn met het advies van de deskundigen en de reclassering de maatregel van tbs met voorwaarden opleggen.
Anders dan de verdediging heeft verzocht, zal de rechtbank ook de voorwaarde dat de behandeling start in een klinische zorginstelling aan de verdachte opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de deskundigen en de reclassering helder uiteengezet dat uitsluitend een ambulante behandeling een gepasseerd station is. Uit de rapporten volgt dat in een klinische setting nader onderzoek kan worden gedaan naar het delictscenario en beter kan worden gewerkt aan het vergroten van ziekte-inzicht en het bewerkstelligen van gedragsverandering dan in een ambulante setting. Gelet op het hoge recidiverisico achten alle rapporteurs het onverantwoord de noodzakelijke intensieve behandeling ambulant te laten plaatsvinden.
De rechtbank merkt op dat de verdachte bij de reclassering en ter terechtzitting heeft verklaard dat hij zich zal conformeren aan de voorwaarde van klinische behandeling - en aan alle overige voorwaarden -, als de rechtbank deze aan hem oplegt.
Gelet op de ernst van het feit en het hoge recidiverisico zal de rechtbank toepassing geven aan het bepaalde in artikel 38, zesde lid, Sr, en zal zij bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Naast de tbs-maatregel zal de rechtbank de verdachte ook een gevangenisstraf opleggen. Gelet op de aard en de ernst van het feit, alsmede op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van deze gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met de verminderde toerekening aan de verdachte. Alles afwegende acht de rechtbank passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Ook zal de rechtbank een GVM opleggen. De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan de voorwaarden voor het opleggen van een GVM zoals opgenomen in artikel 38z, eerste lid, Sr, nu de verdachte ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in artikel 37a en het ter bescherming van de algemene veiligheid van personen nodig is dat na de tbs-maatregel gedragsbeïnvloedende en/of vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden.
De rechtbank zal de voorlopige hechtenis van de verdachte schorsen vanaf het moment dat de verdachte klinisch is opgenomen in een zorginstelling en aan de schorsing dezelfde voorwaarden verbinden als aan de tbs-maatregel. De schorsing van de voorlopige hechtenis en de daaraan te verbinden voorwaarden houden verband met de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden. Zou de verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, dan bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier wordt de algemene veiligheid van personen gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1729, r.o. 6.5).

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich, middels zijn wettelijk vertegenwoordiger, als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft verklaard dat hij bereid is de benadeelde partij een schadevergoeding te betalen. De raadsvrouw heeft betoogd dat - gelet op vergelijkbare zaken - naar billijkheid een bedrag van € 1.000,00 zou moeten worden toegewezen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit.
Bij het begroten van de immateriële schade gaat de rechtbank uit van categorie (b) ‘Ernstig’ onder 15.3 ‘Aanranding’, zoals opgenomen in de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank houdt daarbij rekening met de omstandigheden van het geval - zoals hiervoor toegelicht bij de strafoplegging - de leeftijd van de benadeelde partij en de toelichting door de advocaat van de benadeelde partij. Alles afwegende zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op de gevorderde € 3.000,00.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 15 juni 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 juni 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer].

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 38, 38a, 38z en 247 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
opzetaanranding, voorafgegaan door en vergezeld van dwang;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de
terbeschikkingstelling van de verdachte;
stelt daarbij de navolgende voorwaardenbetreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:
Geen strafbaar feit plegen: de veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
Meewerken aan reclasseringstoezicht: de veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
a. de veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
b. de veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de veroordeelde vast te stellen;
c. de veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
d. de veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
e. de veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;
f. de veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
g. de veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
h. de veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;
3. Meewerken aan time-out: als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
4. Niet naar het buitenland: de veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
5. Opname in een zorginstelling: de veroordeelde laat zich opnemen in een klinische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering en de zorginstelling dat nodig vinden. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen en de controle daarop kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling, leefregels van de verblijfsinstelling en plaatsing;
6. Ambulante behandeling: de veroordeelde laat zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
7. Contactverbod: de veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met het slachtoffer, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2011, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
8. Dagbesteding: de veroordeelde zet zich in voor het realiseren en behouden van een passende- en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding;
9. Vermijden contact met minderjarigen: de veroordeelde zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zoals het contact met de kinderen binnen de familie van de veroordeelde, zorgt de veroordeelde dat de reclassering, behandelaar of ambulant begeleider of een ander persoon - die door de reclassering gescreend is en waar de reclassering contact mee houdt – hierbij aanwezig is en/of maakt heldere afspraken met de betrokken partijen - waarbij rekening wordt gehouden met de gevarenrisico’s;
10. Geven van openheid in (partner)relaties: de veroordeelde geeft de reclassering openheid over het aangaan en onderhouden van (partner)relaties en verleent de reclassering toestemming om relevante referenten uit zijn (sociale) netwerk te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn (sociale) netwerk;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland om de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
legt aan de veroordeelde op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 3.000,00 en veroordeelt de veroordeelde om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 juni 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer];
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 juni 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer];
bepaalt dat, als de veroordeelde niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de veroordeelde niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat ten aanzien van de benadeelde partij in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
schorst het bevel tot voorlopige hechtenis vanaf het moment dat de veroordeelde klinisch is opgenomen in een zorginstelling en stelt daarbij de in dit dictum onder 1 tot en met 10 genoemde voorwaarden en de voorwaarden dat:
- de veroordeelde, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken;
- de veroordeelde, in geval hij wegens het feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Pereth, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. T. Ketelaars, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 december 2025.