Op 21 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2021. Het verzoek tot ondertoezichtstelling is ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden, en is gesteund door zowel de vader als de moeder van [minderjarige 1]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1], die onder andere een forse taalachterstand vertoont en moeite heeft met sociale interacties. De ouders hebben een complexe relatie, met meldingen van huiselijk geweld en spanningen die de zorg voor [minderjarige 1] beïnvloeden.
De kinderrechter heeft in zijn beoordeling de noodzaak van ondertoezichtstelling onderbouwd door te verwijzen naar de problematiek die [minderjarige 1] ervaart, alsook de onduidelijkheid over de woonsituatie van de moeder en de praktische problemen rondom de zorgregeling. De kinderrechter heeft geoordeeld dat de inzet van gedwongen hulpverlening noodzakelijk is om de ontwikkeling van [minderjarige 1] te waarborgen. De beslissing om [minderjarige 1] onder toezicht te stellen is genomen met het oog op het bieden van de benodigde zorg en ondersteuning, en de kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling vastgesteld voor de duur van één jaar, tot 21 november 2026.
De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken, met de mogelijkheid voor hoger beroep binnen drie maanden na de uitspraak. De schriftelijke uitwerking van de beschikking is op 5 december 2025 vastgesteld. De kinderrechter heeft de Raad en de gecertificeerde instelling verzocht om aandacht te besteden aan de praktische problemen rondom de zorgregeling, zodat de vader op een haalbare manier contact kan hebben met [minderjarige 1].