ECLI:NL:RBDHA:2025:24684

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/09/669629 / FA RK 24-5134
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot omgangsregeling en informatieregeling in familierechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een familierechtelijke procedure betreffende een verzoek van de vader om een omgangsregeling met zijn drie minderjarige kinderen. De vader, die sinds vijf jaar geen contact heeft gehad met de kinderen, verzocht de rechtbank om maandelijks telefonisch contact en een informatieregeling waarbij de moeder hem op de hoogte zou houden van de ontwikkeling van de kinderen. De moeder, die het eenhoofdig gezag over de kinderen heeft, voerde verweer tegen het verzoek van de vader. De rechtbank heeft vastgesteld dat de kinderen uitdrukkelijk hebben aangegeven geen contact met hun vader te willen en dat er al lange tijd geen contact is geweest. De rechtbank oordeelde dat het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling moest worden afgewezen, omdat er geen mogelijkheden zijn voor contact, ook niet onder begeleiding. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat de vader zijn verzoek om een informatieregeling heeft ingetrokken, waardoor hierover niets meer te beslissen valt. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-5134
Zaaknummer: C/09/669629
Datum beschikking: 21 november 2025

Omgangsregeling en informatieregeling

Beschikking op het op 15 juli 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. van Amsterdam te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9 formulier 30 juli 2024, met bijlagen, van de vader;
  • het F9 formulier van 19 augustus 2025, met bijlagen, van de vader;
  • het verweerschrift;
De minderjarigen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben in een brief aan de rechter laten weten wat zij van het verzoek vinden.
Op 24 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de advocaat van de vader;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het F9 formulier van 27 oktober 2025 van de vader.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2013 tot [datum 2] 2017.
  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 2],
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats 2].
  • Bij beschikking van 11 januari 2019 van deze rechtbank is de moeder belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen.
  • De kinderen verblijven bij de moeder.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
  • de man maandelijks een telefonisch contactmoment heeft met de kinderen, dat er toegewerkt wordt naar een fysiek contact moment, eventueel onder begeleiding van een professionele organisatie, zoals [instantie], en dat er uiteindelijk een omgangsregeling kan worden gerealiseerd;
  • er een informatieregeling wordt vastgelegd waarbij de vrouw de man maandelijks per e-mail informeert over de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen;
  • de proceskosten van partijen gezien de aard van deze kwestie worden gecompenseerd.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Omgangsregeling
Uit artikel 1:377a eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat een kind recht op omgang heeft met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van het tweede lid van dit artikel stelt de rechtbank op verzoek van onder meer degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast. Een verzoek tot vaststelling van de omgangsregeling kan alleen worden afgewezen als zich een van de ontzegginsgronden zoals vermeld in artikel 1:377a lid 3 BW voordoet.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is het volgende gebleken. Tussen de vader en de kinderen is al minstens vijf jaar geen contact geweest. De vader zou graag weer in contact komen met de kinderen en heeft daartoe een verzoek bij de rechtbank ingediend. De vader heeft daarbij aangegeven dat als de kinderen geen contact met hem willen, het dan ophoudt. De vader wil voornamelijk dat de kinderen weten dat hij open staat voor contact met hen en dat hij er voor de kinderen is als ze hem nodig hebben.
De kinderen hebben ieder een eigen brief aan de rechtbank geschreven waarin zij aangeven dat zij geen contact met de vader willen. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat dit de eigen keus is van de kinderen en dat zij achter hun keuze staat. Volgens de moeder is er eindelijk rust en zij hoopt voor de kinderen dat dit ook zo blijft.
De rechtbank stelt voorop dat de kinderen in beginsel recht hebben op contact met beide ouders. De wens van de vader om weer contact te hebben met de kinderen is invoelbaar, maar de rechtbank ziet daar op dit moment geen mogelijkheden toe, ook niet als het contact begeleid zou zijn. Hiertoe overweegt de rechtbank dat er al minstens vijf jaar geen contact is geweest en de kinderen uitdrukkelijk hebben aangegeven geen contact met hun vader te willen. De vader heeft aangegeven de kinderen niet te willen forceren als zij geen contact willen. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling afwijzen.
Informatieregeling
Op grond van artikel 1:377b BW is de met het gezag belaste ouder gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige en deze te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen.
Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat de moeder geen bezwaar heeft tegen het algemeen informeren van de vader over de kinderen. Gelet op alles wat er in het verleden tussen partijen is gebeurd, wil de moeder alleen niet rechtstreeks met de vader communiceren. Op de zitting is vervolgens de afspraak gemaakt dat de moeder één keer in de drie maanden algemene informatie over de kinderen aan de zus van de vader aan de vader zou verstrekken.
Na de zitting heeft de rechtbank bij bericht van 27 oktober 2025 van de vader vernomen dat hij niet wenst dat zijn zus bij de informatiegaring wordt betrokken. Hierdoor heeft de vader besloten af te zien van een informatieregeling.
De rechtbank begrijpt het bericht van de vader van 27 oktober 2025 als een intrekking van zijn verzoek om een informatieregeling vast te stellen zodat de rechtbank vast stelt dat ten aanzien van de informatieregeling niets meer te beslissen valt.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de
rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro kinderrechter, bijgestaan door
mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 november 2025.