ECLI:NL:RBDHA:2025:24742
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening asielaanvraag
In deze zaak heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 22 mei 2025 afgewezen, met het argument dat deze kennelijk ongegrond was. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 september 2025 behandeld, samen met een andere zaak (NL25.23911). Tijdens de zitting waren de verzoeker, zijn gemachtigde mr. C.T.W. van Dijk, de gemachtigde van de minister mr. W.M.A. van Hoof, en een tolk aanwezig.
De voorzieningenrechter heeft op 11 november 2025 uitspraak gedaan. Aangezien er in de andere zaak (NL25.23911) al een uitspraak was gedaan op het beroep, was een voorlopige voorziening niet meer nodig. Daarom heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, in aanwezigheid van griffier mr. S.J. Valk, en is openbaar gemaakt op 11 november 2025. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.