In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag beoordeeld. Eiser, afkomstig uit Nigeria, had op 7 oktober 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 22 mei 2025 als kennelijk ongegrond werd afgewezen. De rechtbank heeft op 3 september 2025 de zaak behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de minister en een tolk. Tijdens de zitting werd een tussenuitspraak gedaan op 12 september 2025, waarin de minister werd verzocht nader onderzoek te verrichten naar het paspoort van eiser.
De rechtbank concludeert dat de minister in zijn besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met de echtheid van het paspoort, maar dat dit niet betekent dat de identiteit van eiser daarmee is aangetoond. De rechtbank wijst op de inconsistenties in de verklaringen van eiser over zijn identiteit en de herkomst van zijn documenten. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, ondanks de positieve beoordeling van de echtheid van het paspoort door Bureau Documenten.
Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, wat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag blijft bestaan. De rechtbank oordeelt dat de minister niet in de proceskosten wordt veroordeeld, omdat eiser had moeten begrijpen dat zijn paspoort cruciaal was voor de beoordeling van zijn aanvraag.