De minister van Asiel en Migratie legde op 4 december 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende vreemdeling, vanwege risico op onttrekking aan toezicht en het vaststellen van identiteit.
Eiser betwistte meerdere gronden waarop de maatregel was gebaseerd, waaronder het onttrekkingsrisico en het ontbreken van financiële middelen. De minister liet tijdens de zitting één zware grond vallen, maar handhaafde andere gronden waaronder het ontbreken van een geldig paspoort en eerdere asielaanvragen zonder rechtmatig verblijf.
De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende feitelijke en gemotiveerde gronden had voor de bewaring, waaronder het niet naleven van meldplicht en de weigering tot terugkeer. Ook was de minister terecht van mening dat een lichter middel onvoldoende was.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.