In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De eiser, een man van Pakistaanse nationaliteit, had op 4 december 2025 een maatregel van bewaring opgelegd gekregen op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. Tijdens de zitting op 15 december 2025 was eiser aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde, en werd de minister vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft de argumenten van eiser, die onder andere betwistte dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestond, zorgvuldig overwogen. De rechtbank concludeerde dat de minister de maatregel van bewaring terecht had opgelegd, omdat eiser zonder geldig paspoort Nederland was binnengekomen en meerdere asielaanvragen had ingediend die niet tot rechtmatig verblijf hadden geleid. De rechtbank oordeelde dat er voldoende gronden waren voor de maatregel van bewaring en dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom er niet met een lichter middel kon worden volstaan. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak werd openbaar gemaakt op dezelfde dag.