ECLI:NL:RBDHA:2025:24744

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.59795
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet afgewezen

De minister van Asiel en Migratie legde op 4 december 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende vreemdeling, vanwege risico op onttrekking aan toezicht en het vaststellen van identiteit.

Eiser betwistte meerdere gronden waarop de maatregel was gebaseerd, waaronder het onttrekkingsrisico en het ontbreken van financiële middelen. De minister liet tijdens de zitting één zware grond vallen, maar handhaafde andere gronden waaronder het ontbreken van een geldig paspoort en eerdere asielaanvragen zonder rechtmatig verblijf.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende feitelijke en gemotiveerde gronden had voor de bewaring, waaronder het niet naleven van meldplicht en de weigering tot terugkeer. Ook was de minister terecht van mening dat een lichter middel onvoldoende was.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59795
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. van Elp),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Amer. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor een beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, wegens risico op het onttrekken aan het toezicht op vreemdelingen. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht
Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden onder 3b, 3c, 3d en 3i en de lichte gronden onder 4b, 4c en 4d die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Eiser stelt ten aanzien van de lichte grond onder 4b dat met de door de minister gegeven motivering niet is aangetoond dat hieruit een onttrekkingsrisico ontstaat. Ten aanzien van de lichte grond onder 4c stelt eiser dat hij kennissen in Nederland heeft en dat hij bij deze kennissen kan verblijven waardoor hij beschikbaar blijft voor de autoriteiten. En ten aanzien van de lichte grond onder 4d stelt eiser dat de minister concludeert dat hij geen geld heeft, maar dat de minister hier niet naar heeft gevraagd tijdens het gehoor.
4. De minister heeft ter zitting de zware grond onder 3i laten vallen.
5. De rechtbank oordeelt dat de minister de zware grond onder 3a en de lichte gronden onder 4a, 4b, 4c en 4d aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht leggen. Deze gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser is terecht tegengeworpen dat hij zonder een geldig paspoort Nederland is ingereisd. Daarnaast heeft hij meerdere asielaanvragen ingediend welke niet tot rechtmatig verblijf hebben geleid. Door na afwijzing van zijn asielaanvraag niet uit Nederland te vertrekken maar opnieuw asiel aan te vragen, blijkt dat eiser niet van plan is terug te keren naar zijn land van herkomst. Eiser staat niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) en is daarmee niet traceerbaar. Verder is eiser op pagina 7 van het gehoor voor inbewaringstelling (M110) gevraagd naar zijn financiële middelen. Hierop antwoordde eiser dat hij € 400,- had maar dit niet wilde uitgeven aan terugkeer naar zijn land van herkomst. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank laat de overige door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken.

Lichter middel

6. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Eiser neemt de asielprocedure in Nederland heel serieus en heeft aangegeven mee te willen werken aan terugkeer naar zijn land van herkomst. Eiser was in de veronderstelling dat hij driemaal zijn meldplicht mocht missen, om die reden heeft hij zich ook twee keer niet gemeld. De minister had eiser ook in een vrijheidsbeperkende locatie (vbl) kunnen plaatsen, zodat hij niet beperkt werd in zijn mogelijkheden om nieuwe documenten te verzamelen.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de hierboven beoordeelde gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Daarbij is in de maatregel overwogen dat eiser meerdere keren niet is verschenen bij zijn meldplicht, geeft hij stellig aan in het gehoor voor inbewaringstelling (M110) dat hij niet wil terugkeren naar zijn land van herkomst, is er niet gebleken van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn gestelde partner en hebben eerder een meldplicht en vertrekgesprekken niet geleid tot het vertrek van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.