In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarbij aan de eiser de maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, dat op 20 november 2025 is genomen. De rechtbank heeft de zaak op 15 december 2025 behandeld, waarbij de eiser aanwezig was met een tolk en de minister vertegenwoordigd was door zijn gemachtigde mr. W. Vrooman.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de maatregel van bewaring heeft opgelegd om de identiteit of nationaliteit van de eiser vast te stellen en om gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. De rechtbank oordeelt dat de gronden voor de maatregel van bewaring voldoende zijn gemotiveerd en dat de eiser zich niet aan het toezicht op vreemdelingen heeft gehouden. De rechtbank heeft de beroepsgrond van de eiser verworpen, waarin hij stelde dat er geen onttrekkingsrisico was en dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel.
De rechtbank heeft ook ambtshalve getoetst of de maatregel van bewaring onrechtmatig was. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en nog voortduurt, omdat de nationaliteit van de eiser nog niet is vastgesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt op 19 december 2025.