ECLI:NL:RBDHA:2025:24745

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.59542
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een vreemdeling en de rechtmatigheid van de maatregel

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarbij aan de eiser de maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, dat op 20 november 2025 is genomen. De rechtbank heeft de zaak op 15 december 2025 behandeld, waarbij de eiser aanwezig was met een tolk en de minister vertegenwoordigd was door zijn gemachtigde mr. W. Vrooman.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de maatregel van bewaring heeft opgelegd om de identiteit of nationaliteit van de eiser vast te stellen en om gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. De rechtbank oordeelt dat de gronden voor de maatregel van bewaring voldoende zijn gemotiveerd en dat de eiser zich niet aan het toezicht op vreemdelingen heeft gehouden. De rechtbank heeft de beroepsgrond van de eiser verworpen, waarin hij stelde dat er geen onttrekkingsrisico was en dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel.

De rechtbank heeft ook ambtshalve getoetst of de maatregel van bewaring onrechtmatig was. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en nog voortduurt, omdat de nationaliteit van de eiser nog niet is vastgesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt op 19 december 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59542
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Onrechtmatigheid van de maatregel (grondslag)

Eiser stelt dat de maatregel vanaf 9 december 2025 onrechtmatig is, omdat er sindsdien geen grond meer is voor de inbewaringstelling. Eiser is in bewaring gesteld om noodzakelijke gegevens te verkrijgen voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. Met het indienen van zijn zienswijze op 9 december 2025, is de fase voor het verzamelen van die gegevens geëindigd. Secundair stelt eiser zich op het standpunt dat de minister op het moment van de zitting moet kijken naar een grondslagwijziging, vanwege het besluit op eisers asielaanvraag van 14 december 2025.
De rechtbank oordeelt dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd en nog voortduurt. Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Ter zitting heeft de minister aangevoerd dat de nationaliteit van eiser nog niet is vastgesteld. Ondanks dat eiser een beslissing op zijn asielaanvraag heeft ontvangen, kan de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw nog rechtmatig voortduren, om de nationaliteit van eiser alsnog vast te stellen. In dit verband heeft de minister opgemerkt dat de maatregel met drie maanden is verlengd, zo volgt uit de beslissing op eisers asielaanvraag van 14 december 2025. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware grond onder 3b en de lichte gronden onder 4c en 4d die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Eiser stelt ten aanzien van de zware grond onder 3b dat hij zich niet aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. In het dossier ontbreekt een MOB-melding. Wat betreft de lichte gronden stelt eiser dat hij een vast verblijf heeft in [plaats] dat wordt gefaciliteerd door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Eiser wordt ook door het COA voorzien in zijn kosten.
5. De rechtbank oordeelt dat de minister de zware gronden onder 3a en 3b en de lichte gronden onder 4c en 4d aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht leggen. Deze gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser heeft, door zich niet te houden aan de hem eerder op grond van artikel 56 opgelegde maatregel, zich onttrokken aan het toezicht op vreemdelingen. Verder staat hij niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) en locaties van het COA worden niet aangemerkt als vaste woon- of verblijfplaats. Dat eiser door het COA in zijn kosten wordt voorzien, betekent niet dat hij voldoende middelen van bestaan heeft. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

6. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring omdat geen sprake is van een onttrekkingsrisico. De omstandigheid dat eiser zich niet aan de artikel 56 maatregel heeft gehouden, is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat sprake is van een onttrekkingsrisico. Eiser is uiteindelijk teruggegaan naar [plaats] , van waaruit hij ook in bewaring is gesteld, omdat hij zich juist niet aan het toezicht wilde onttrekken en zijn asielprocedure wilde afwachten.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Eiser heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en is dus niet traceerbaar, hij beschikt niet over voldoende middelen van bestaan om te voorzien in zijn levensbehoeften en hij heeft zich eerder niet aan zijn meldplicht gehouden. Hierbij komt ook dat eiser zich niet aan de artikel 56 maatregel heeft gehouden en door de politie meerdere keren in verband met strafbare feiten buiten het voorgeschreven gebied is aangetroffen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.