ECLI:NL:RBDHA:2025:24746

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.60180 NL25.60196
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring en terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring en een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. De eiser, een Algerijnse man, had beroep ingesteld tegen de besluiten van 5 december 2025, waarbij hem een maatregel van bewaring en een terugkeerbesluit waren opgelegd. De rechtbank heeft de zitting op 15 december 2025 gehouden, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister voldoende gronden heeft aangevoerd voor de maatregel van bewaring, waaronder het risico dat de eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De rechtbank heeft ook overwogen dat de minister in zijn besluiten niet heeft gemotiveerd of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de verwijdering van de eiser, wat door de eiser als een motiveringsgebrek werd aangedragen. Echter, de rechtbank oordeelde dat de gronden voor de maatregel van bewaring en het terugkeerbesluit feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt op 19 december 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.60180 en NL25.60196

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. De minister heeft op 5 december 2025 ook een terugkeerbesluit op grond van artikel 62 van de Vw aan eiser uitgevaardigd (bestreden besluit 2).
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 1 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring ook aan het terugkeerbesluit ten grondslag zijn gelegd en niet door eiser zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring en het terugkeerbesluit dragen.
Arrest Adrar
4. Eiser stelt dat de minister heeft gehandeld in strijd met het arrest Adrar1. Eiser verwijst naar een uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch, van 4 november 20252. In die uitspraak overweegt de rechtbank dat bij het opleggen en voortduren van de maatregel van bewaring moet worden nagegaan of het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen verwijdering van de vreemdeling. Deze overweging dient in de maatregel van bewaring te worden opgenomen. Eiser merkt hierbij op dat deze beroepsgrond gericht is op zowel de maatregel van bewaring als het terugkeerbesluit. In de bestreden besluiten is geen overweging over het vorenstaande opgenomen. De minister heeft ook niets overwogen over het gezinsleven van eiser of het belang van het kind. Er is dus sprake is van een motiveringsgebrek.
5. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft in beide besluiten voldoende gemotiveerd dat de wisselende verklaringen van eiser over zijn vrouw en dochter met nierproblemen, zijn ex-vrouw en gehandicapte dochter en/of zijn zoon ongeloofwaardig zijn. Daarover heeft de minister ter zitting nog opgemerkt dat tot op heden geen van deze verklaringen door eiser is onderbouwd. Met betrekking tot toetsing van het risico op refoulement, overweegt de rechtbank dat eiser twee dagen eerder zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en in het gehoor vóór het terugkeerbesluit en de inbewaringstelling (M110) heeft verklaard geen problemen te hebben met terugkeer naar Algerije, dat hij daar geen gevaar loopt en zal meewerken. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
1. ECLI:EU:C:2025:647.
Conclusie
7. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.