De minister van Asiel en Migratie legde op 5 december 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op en vaardigde een terugkeerbesluit uit. Eiser stelde beroep in tegen beide besluiten en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank Den Haag behandelde de beroepen op 15 december 2025.
De minister motiveerde de maatregel van bewaring met het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. De rechtbank achtte deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser voerde aan dat de minister niet had voldaan aan het vereiste om het non-refoulementbeginsel te toetsen, zoals vereist in eerdere jurisprudentie, en dat er geen overwegingen waren opgenomen over zijn gezinsleven.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van eiser over zijn gezin ongeloofwaardig waren en dat eiser zelf had verklaard geen problemen te hebben met terugkeer naar Algerije. De beroepsgrond faalde daarom. Ambtshalve toetsing wees uit dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was. De beroepen werden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.