In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring en een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. De eiser, een Algerijnse man, had beroep ingesteld tegen de besluiten van 5 december 2025, waarbij hem een maatregel van bewaring en een terugkeerbesluit waren opgelegd. De rechtbank heeft de zitting op 15 december 2025 gehouden, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister voldoende gronden heeft aangevoerd voor de maatregel van bewaring, waaronder het risico dat de eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De rechtbank heeft ook overwogen dat de minister in zijn besluiten niet heeft gemotiveerd of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de verwijdering van de eiser, wat door de eiser als een motiveringsgebrek werd aangedragen. Echter, de rechtbank oordeelde dat de gronden voor de maatregel van bewaring en het terugkeerbesluit feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt op 19 december 2025.