ECLI:NL:RBDHA:2025:24804

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/230
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inzageverzoek op grond van de AVG met betrekking tot gegevensverwerking door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 23 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen de besluitvorming over zijn inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) behandeld. Eiser had op 21 september 2023 een inzageverzoek ingediend bij de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), die dit verzoek op 19 februari 2024 gedeeltelijk toewijsde. Na bezwaar en een hoorzitting op 23 september 2024, heeft de minister op 28 november 2024 een nieuw besluit genomen, waarin aanvullende persoonsgegevens van eiser werden verstrekt. Eiser was echter ontevreden met de uitkomst en stelde beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het Wpg-besluit van 9 december 2024, dat ook door de Nederlandse Arbeidsinspectie was genomen, geen onderdeel uitmaakt van het bestreden AVG-besluit. De rechtbank stelt vast dat eiser niet tijdig beroep heeft ingesteld tegen het Wpg-besluit, en dat de rechtmatigheid daarvan enkel in de Wpg-procedure kan worden getoetst. De rechtbank concludeert dat de minister voldoende gemotiveerd inzage heeft gegeven in de verwerking van de persoonsgegevens van eiser onder de AVG. Eiser's argumenten over profilering en de verwerking van zijn gegevens worden door de rechtbank verworpen, en het beroep wordt ongegrond verklaard. De rechtbank benadrukt dat er geen bewijs is dat de persoonsgegevens van eiser onterecht zijn verwerkt of dat er sprake is van ongeoorloofde profilering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/230

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Idrissi),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigden: mr. J.H. Smits en mr. A.K. van Wensen).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de besluitvorming over zijn inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
1.1
Eiser heeft op 21 september 2023 een inzageverzoek op grond van artikel 15 van de AVG ingediend bij verweerder.
1.2
Bij besluit van 19 februari 2024 (primaire besluit) heeft verweerder dit verzoek toegewezen en is inzage geboden in de persoonsgegevens van eiser die verweerder heeft verwerkt.
1.3
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit, waarna op 23 september 2024 een ambtelijke hoorzitting heeft plaatsgevonden.
1.4
Bij besluit van 28 november 2024 heeft verweerder - naar aanleiding van de hoorzitting en een nieuwe zoekslag – het bezwaar van eiser gegrond verklaard en inzage geboden in aanvullende door verweerder verwerkte persoonsgegevens van eiser.
1.5
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.6
Verweerder heeft op de beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.
1.7
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft bij verweerder om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens verzocht na het lezen van een krantenartikel in de NRC van 19 september 2023 met als titel
“Ministerie van Sociale Zaken deed ook geheim onderzoek naar moskeeën”.Aanleiding voor dit nieuwsartikel was de Kamerbrief [1] van de toenmalige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) inzake ‘Herstel vertrouwen moslimgemeenschappen en de overheid’ van 18 september 2023. In deze brief wordt gereflecteerd op de heimelijke onderzoeken die namens dit ministerie zijn uitgevoerd in het kader van onderzoek naar salafisme bij verschillende moslimorganisaties in Nederland. In deze Kamerbrief staat ook dat er een regeling wordt getroffen voor het doen van inzage- en verwijderingsverzoeken voor onrechtmatige gegevensverwerking van de betrokken personen in deze onderzoeken. Eiser heeft daar een beroep op gedaan en het onderhavige inzageverzoek ingediend.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Verweerder heeft bij het primaire besluit inzage verschaft in de verwerking van persoonsgegevens van eiser, te weten een krantenartikel dat binnen de directie Samenleving en Integratie (S&I) van het ministerie SZW per mail is doorgestuurd. In dat artikel wordt eiser genoemd als penningmeester van de [moskee] in [plaats] .
3.1
Na bezwaar heeft een ambtelijke hoorzitting plaatsgevonden, waarbij de gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat het inzageverzoek ziet op alle onderdelen van het ministerie van SZW en niet alleen de directie S&I. Daarom heeft eiser verzocht om nogmaals een zoekslag te verrichten en het dossier compleet te maken.
3.2
In het bestreden besluit heeft verweerder medegedeeld dat ook door de Nederlandse Arbeidsinspectie, Directie Opsporing (hierna: de Inspectie) persoonsgegevens van eiser zijn verwerkt. Deze verwerking heeft plaatsgevonden in het kader van een steekproef voor de monitor Arbo-in-bedrijf. In dit monitorprogramma selecteert de Inspectie bedrijven die op arbobeleid en arbeidsomstandigheden zullen worden onderzocht tijdens bedrijfsbezoeken. Verweerder heeft bij het bestreden besluit meegedeeld dat de gegevens van eiser na de steekproef zijn uitgesloten voor het onderzoek door de Inspectie, omdat deze niet voldeden aan de onderzoekscriteria.
3.3
Naar aanleiding van de hoorzitting heeft verweerder het verzoek van eiser ook opgevat als verzoek om inzage in gegevensverwerking op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) door de Inspectie. Verweerder heeft dit verzoek doorgeleid naar de bevoegde instantie, namelijk de inspecteur-generaal van de Nederlandse Arbeidsinspectie, die op dat verzoek een apart Wpg-inzagebesluit (hierna: het Wpg-besluit) heeft genomen. Dit Wpg-besluit is op 9 december 2024 bekendgemaakt aan eiser, waarbij kennisneming van strafrechtelijke gegevens is onthouden op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wpg, namelijk in het belang van de goede uitvoering van de opsporingstaak.
Wat is het standpunt van eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het besluit op bezwaar en voert in de beroepsgronden aan dat verweerder ten onrechte geen volledige inzage heeft gegeven in zijn dossier. Eiser wil concreet weten waarom er informatie van hem is terecht gekomen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie, wat voor gevolgen dit heeft gehad en of de Inspectie deze persoonsgegevens heeft gedeeld met andere overheidsorganen of -instanties. Eiser stelt dat sprake is van profilering door het opslaan van een openbaar krantenartikel met zijn persoonsgegevens. Ook wenst eiser een overzicht van de opslaglocaties van zijn persoonsgegevens binnen het ministerie van SZW.
4.1
Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser zich aanvullend op het standpunt gesteld dat het Wpg-besluit van 9 december 2024 integraal onderdeel uitmaakt van de motivering van het bestreden besluit over het inzageverzoek op grond van de AVG. Om die reden vindt eiser dat de rechtmatigheid van het Wpg-besluit ook in het kader van deze beroepsprocedure ter discussie kan worden gesteld en mag worden getoetst door de bestuursrechter. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd verklaard dat destijds geen beroep is ingesteld tegen het Wpg-besluit van 9 december 2024.
Wat is het standpunt van verweerder in dit beroep?
5. Verweerder heeft in het verweerschrift schriftelijk gereageerd op de beroepsgronden van eiser en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van dit beroep.
5.1
Op de zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het Wpg-besluit geen integraal onderdeel vormt van het hier bestreden AVG-besluit. De enkele verwijzing naar het Wpg-besluit voor de motivering van een onderdeel van het AVG-besluit maakt nog niet dat dat Wpg-besluit daarmee ook onderdeel van geschil in dit beroep is geworden.
5.2
De gemachtigden van verweerder hebben op de zitting medegedeeld aan eiser dat ambtshalve een aanvullend Wpg-besluit zal worden genomen, waarbij een extra toelichting wordt gegeven op de verwerking van eiser zijn persoonsgegevens bij de Inspectie. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat eiser te zijner tijd tegen dit aanvullende besluit desgewenst beroep kan instellen om de rechtmatigheid daarvan te laten toetsen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Toetsing van het Wpg-besluit
6. De rechtbank is van oordeel dat het Wpg-besluit van 9 december 2024 geen onderdeel van het hier bestreden AVG-besluit vormt. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder twee afzonderlijke besluiten heeft genomen, die gebaseerd zijn op een verschillend toetsingskader en allebei ook een aparte rechtsgang kennen, waarbij voor het Wpg-besluit direct beroep zonder bezwaarfase bestaat. Eiser had tegen het Wpg-besluit dan ook beroep moeten instellen. De verwijzing in het bestreden besluit naar het genoemde Wpg-besluit maakt niet dat dit laatste besluit daarmee binnen de omvang van dit geding valt. De rechtmatigheid van het Wpg-besluit kan enkel in de daartoe strekkende Wpg-procedure worden getoetst.
6.1
Dat eiser destijds niet tijdig tegen het afzonderlijke Wpg-besluit van 9 december 2024 is opgekomen, dient in beginsel voor zijn eigen rekening en risico te komen. Nu verweerder op de zitting echter te kennen gegeven heeft dat ambtshalve een aanvullend Wpg-besluit genomen gaat worden, kan eiser desgewenst alsnog rechtsmiddelen aanwenden tegen dat aanvullende besluit, indien hij van mening blijft dat het overzicht van de verwerkte gegevens onvolledig is, dan wel dat deze verwerking onrechtmatig is.
Rechtmatigheid gegevensverwerking onder de AVG
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder - met inachtneming van het voorgaande - voldoende gemotiveerd inzage gegeven in de verwerking van eiser zijn gegevens onder de AVG. Verweerder heeft inzage geboden in de gegevensverwerking bij zowel Directie S&I als bij de Nederlandse Arbeidsinspectie en heeft de verwerkingsdoeleinden daarbij gemotiveerd toegelicht. Niet gebleken of met argumenten aannemelijk gemaakt is dat er nog meer gegevens van eiser zijn verwerkt door verweerder of dat de verwerkte gegevens nog aan andere overheidsinstanties of derden zijn doorgestuurd. Ten aanzien van de gegevensverwerking bij de Directie S&I is aangegeven dat het krantenartikel met de naam van eiser per mail is doorgestuurd onder de beleidsmedewerkers die zich met dit thema bezighielden en niet anderszins is opgeslagen. Op de zitting is ook aangegeven dat dit doorgestuurde krantenartikel geen archiefwaardig materiaal betreft en zal worden verwijderd, nu de Autoriteit Persoonsgegevens het onderzoek bij het ministerie van SZW naar aanleiding van de onrechtmatige gegevensverwerking in het kader van de salafisme-onderzoeken heeft afgerond. Ten aanzien van de verwerking door de Nederlandse Arbeidsinspectie heeft verweerder inzichtelijk gemotiveerd dat de persoonsgegevens van eiser zijn gebruikt bij een steekproef van de monitor Arbo in Bedrijf, waaraan in het geval van eiser geen gevolgen zijn verbonden. De bewaartermijnen en de opslaglocaties van de verwerkte gegevens van eiser zijn voldoende inzichtelijk gemotiveerd in het bestreden besluit. Voor inzage in de gegevensverwerking en de doeleinden daarvan onder het Wpg-regime verwijst de rechtbank eiser naar de daarvoor bestemde procedure tegen het door verweerder aangekondigde ambtshalve aanvullende besluit van de arbeidsinspectie.
Profilering
8. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder met een inzichtelijke motivering heeft onderbouwd dat in dit geval geen sprake is van profilering, als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de AVG. Niet aannemelijk gemaakt is dat de persoonsgegevens van eiser door verweerder onderworpen zijn aan geautomatiseerde besluitvorming. Ook niet gebleken of aannemelijk gemaakt is dat verweerder aan deze gegevensverwerking (rechts)gevolgen heeft verbonden, die hebben geleid tot het evalueren van de persoonlijke aspecten van eiser als natuurlijke persoon. De stelling van eiser dat hij in het buitenland op een vliegveld met zijn gezin is tegengehouden en het vermoeden dat hij op terroristenlijsten staat, is niet met argumenten of bewijsmiddelen onderbouwd. Van ongeoorloofde profilering door verweerder in de zin van de AVG is in dit geval niet gebleken.
9. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op juiste gronden een besluit heeft genomen op dit AVG verzoek van eiser.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
12. Eiser heeft ook geen recht op terugbetaling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak ziet u hierboven met een stempel vermeld.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 8:69 Awb
1. (…)
2. De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.
Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)
Artikel 15 - Recht van inzage van de betrokkene
1.De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
a.
a)de verwerkingsdoeleinden;
b)de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
c)de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d)indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e)dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
f)dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
g)wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
h)het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
2.(…)
3.De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.
4.Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.

Wet politiegegevens (Wpg)

Artikel 27 Wpg
1.
Een verzoek als bedoeld in de artikelen 25, eerste lid, en 28, eerste en tweede lid, wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is:
a) ter vermijding van belemmering van de gerechtelijke onderzoeken of procedures;
b) ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen;

Voetnoten

1.Zie deze link: