ECLI:NL:RBDHA:2025:24814

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
09/228384-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Integrale vrijspraak wegens gebrek aan bewijs in poging tot zware mishandeling met hamer

Op 22 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van poging tot zware mishandeling. De zaak betrof een incident dat plaatsvond op 24 augustus 2025 in 's-Gravenhage, waarbij de verdachte zou hebben geprobeerd een ander, de aangever, met een hamer op het hoofd te slaan. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, maar de verdediging pleitte voor integrale vrijspraak.

Tijdens de zitting op 8 december 2025 werd het bewijs besproken. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was om de verdachte te veroordelen. De verklaringen van de aangever werden als onbetrouwbaar beschouwd, mede omdat hij onder invloed van alcohol was en moeite had met articuleren. Bovendien werd er een andere persoon genoemd, [naam], die mogelijk de dader was. De rechtbank kon niet vaststellen of de verdachte daadwerkelijk geweld had gebruikt, en de camerabeelden gaven geen duidelijkheid over de gebeurtenissen.

Uiteindelijk concludeerde de rechtbank dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kon worden, en sprak de verdachte vrij. De uitspraak benadrukt het belang van bewijs in strafzaken en de noodzaak om te kunnen aantonen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd zoals ten laste gelegd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/228384-25
Datum uitspraak: 22 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 8 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Tuinenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.L. van Gaalen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 december 2025 - ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] van het leven te beroven, met een hamer, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd en/of in de richting van het hoofd, althans lichaam, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te 's-Gravenhageaan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een zichtbaar en ontsierend litteken op het hoofd heeft toegebracht, door die [aangever] met een hamer, althans hard voorwerp, te slaan;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een hamer, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd en/of in de richting van het hoofd, althans lichaam, te slaan en/of een trappende beweging in de richting van die [aangever] te maken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te 's-Gravenhage [aangever] heeft mishandeld, door die [aangever] met een hamer, althans hard voorwerp, te slaan.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Hij heeft een gevangenisstraf gevorderd van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een proeftijd van twee jaren.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen en overweegt daartoe als volgt.
Er zijn aanwijzingen dat de verdachte de aangever met een hamer op zijn hoofd heeft geslagen. Kort gezegd komen die op het volgende neer:
  • De aangever beschrijft de Marokkaan met het slechte gebit als de man die hem met een hamer heeft geslagen. De verdachte voldoet aan deze omschrijving en was op het moment van het incident ook ter plaatse. De verdachte is ook na een korte achtervolging aangehouden. Hij lijkt op dat moment bloedvlekken op zijn jas te hebben.
  • Uit de camerabeelden van het incident lijkt te volgen dat de verdachte iets van de grond pakt, naar de aangever loopt en twee keer bewegingen naar de aangever maakt. Direct daarna is te zien dat de aangever met een bebloed hoofd een café binnenloopt. De verdachte staat een minuut later met een hamer in zijn hand dreigend/boos voor de ingang van dat café.
  • De aangever heeft letsel op zijn hoofd. Naast de hierboven beschreven beelden heeft hij verklaard dat hechtingen zijn aangebracht op de voor- en achterkant van zijn hoofd.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat het overtuigende bewijs ontbreekt.
Allereerst is er reden om behoedzaam met de verklaringen van de aangever om te gaan. Een ter plaatse gekomen verbalisant beschrijft dat de aangever moeilijk uit zijn woorden kwam, dat hij met dubbele tong sprak en dat een sterke alcohollucht bij hem vandaan kwam.
De verdachte ontkent geweld te hebben toegepast en wijst vanaf zijn eerste verhoor [naam] aan als de persoon die (kennelijk) geweld heeft toegepast. Deze [naam] heeft in zijn eerste (telefonische) verhoor, nadat hem de verklaring van de verdachte werd voorgehouden, verklaard dat hij ( [naam] ) bij het incident aanwezig was en dat hij ‘misschien wel’ de aangever met een hamer heeft geslagen. Ook verklaarde hij in dat verhoor dat hij na het incident naar het bureau Zuiderpark was gegaan. [naam] is vervolgens twee keer bij de rechter-commissaris gehoord. In zijn eerste verhoor heeft hij verklaard dat hij niemand met een hamer heeft geslagen, maar in zijn tweede verhoor heeft hij verklaard dat hij juist degene is die de aangever met een hamer op zijn voorhoofd heeft geslagen en dat de verdachte dat niet heeft gedaan. Ook heeft [naam] verklaard dat hij zichzelf die nacht wilde aangeven, dat hij daarover met zijn woongroepbegeleider had gesproken en dat hij daarom naar het bureau Zuiderpark was gegaan. In een later ingekomen proces-verbaal wordt dit verhaal bevestigd door de woongroepbegeleider. Die begeleider heeft bevestigd die nacht van [naam] te hebben gehoord dat hij in het centrum van Den Haag ruzie met twee mannen had gekregen en dat hij met een hamer heeft geslagen op het hoofd van een man die hem wilde slaan.
De beelden laten zien dat (kennelijk) [naam] een beweging naar de aangever heeft gemaakt en dat daarna (kennelijk) de verdachte iets van de grond heeft opgepakt, achter de aangever is aangelopen en (ook) twee keer bewegingen naar de aangever heeft gemaakt. Wat er precies is gebeurd, is niet te zien op de beelden. Er zijn schimmen en bewegingen te zien, maar de precieze handelingen en voorwerpen niet. De rechtbank heeft op basis van de camerabeelden niet kunnen vaststellen of de bewegingen van [naam] , respectievelijk de verdachte, daadwerkelijk hebben geleid tot fysiek contact en, zo ja, waar de aangever dan werd geraakt. Evenmin heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat de bewegingen werden gemaakt terwijl een voorwerp (een hamer) in de hand werd vastgehouden.
De aangever heeft zelf verklaard één tik op zijn hoofd te hebben gehad met een hamer. Het is duidelijk dat de aangever letsel (gelet op de camerabeelden: op zijn minst een wond op zijn voorhoofd) heeft overgehouden aan dit incident, maar enige medische informatie over dat letsel ontbreekt.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet uitsluiten dat het letsel van de aangever is veroorzaakt door [naam] . Anders gezegd, onvoldoende blijkt dat het letsel is veroorzaakt door handelingen van de verdachte. Nu de aangifte enkel is gericht op het slaan met de hamer en niet uit andere bewijsmiddelen blijkt dat andere geweldshandelingen zijn verricht door de verdachte, zal de rechtbank de verdachte integraal vrijspreken.

4.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M.A. de Koning, voorzitter,
mr. S.M. Krans, rechter,
mr. I. Jadib, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A. Copier en S.J.H. Oosterloo LL.M, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 december 2025.