Op 22 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van poging tot zware mishandeling. De zaak betrof een incident dat plaatsvond op 24 augustus 2025 in 's-Gravenhage, waarbij de verdachte zou hebben geprobeerd een ander, de aangever, met een hamer op het hoofd te slaan. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, maar de verdediging pleitte voor integrale vrijspraak.
Tijdens de zitting op 8 december 2025 werd het bewijs besproken. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was om de verdachte te veroordelen. De verklaringen van de aangever werden als onbetrouwbaar beschouwd, mede omdat hij onder invloed van alcohol was en moeite had met articuleren. Bovendien werd er een andere persoon genoemd, [naam], die mogelijk de dader was. De rechtbank kon niet vaststellen of de verdachte daadwerkelijk geweld had gebruikt, en de camerabeelden gaven geen duidelijkheid over de gebeurtenissen.
Uiteindelijk concludeerde de rechtbank dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kon worden, en sprak de verdachte vrij. De uitspraak benadrukt het belang van bewijs in strafzaken en de noodzaak om te kunnen aantonen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd zoals ten laste gelegd.