ECLI:NL:RBDHA:2025:24850

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.29855 en NL25.29856
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Libische eiser met psychische klachten en verzoek om voorlopige voorziening

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 15 december 2025 wordt het beroep van een Libische eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag behandeld. De eiser, die op 4 januari 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indiende, kreeg op 30 juni 2025 te horen dat zijn aanvraag kennelijk ongegrond was. De rechtbank beoordeelt zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 7 augustus 2025 zijn de eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de verweerder aanwezig. De rechtbank sluit het onderzoek na het indienen van aanvullende informatie door de verweerder over de situatie in Libië. De eiser vreest voor vervolging bij terugkeer naar Libië vanwege de werkzaamheden van zijn vader voor het regime van Khadaffi. De rechtbank oordeelt dat de verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de psychische klachten van de eiser, maar dat de vrees voor vervolging niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank concludeert dat de aanvraag terecht is afgewezen en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.29855 (beroep) en NL25.29856 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 4 januari 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 30 juni 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, V. Bolt als tolk, en de gemachtigde van verweerder.
1.3.
Na afloop van de behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen het algemeen ambtsbericht voor Libië van 24 juli 2025 te overleggen en toe te lichten wat de informatie daarin betekent voor het bestreden besluit. Hierna heeft eiser de gelegenheid gekregen om hierop te reageren. De partijen hebben hier gebruik van gemaakt.
1.4.
Op 7 oktober 2025 heeft de rechtbank, met instemming van de partijen, het onderzoek gesloten zonder dat een nadere zitting plaatsvindt.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Libische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1981. Eiser heeft verklaard dat hij Libië in 2010 heeft verlaten en dat zijn vader als beveiliger voor het regime van Khadaffi heeft gewerkt. Eiser is hier na de dood van zijn vader achter gekomen. Eiser vreest bij een terugkeer naar Libië dat als mensen zijn achternaam horen, zij hem zullen vermoorden omdat zijn vader voor Khadaffi heeft gewerkt.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
- eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (het eerste asielmotief);
- eisers gestelde problemen door de werkzaamheden van zijn vader (het
tweede asielmotief).
3.1.
Verweerder vindt eisers identiteit niet geloofwaardig, omdat hij geen oprechte inspanning heeft verricht om zijn aanvraag te staven, te weinig identificerende documenten heeft overgelegd en daar geen goede verklaring voor heeft. [2] Bovendien vormen eisers verklaringen over zijn identiteit geen samenhangend en aannemelijk geheel. [3] Eisers nationaliteit en herkomst vindt verweerder wel geloofwaardig. Verweerder acht het verder niet aannemelijk dat eisers vader heeft gewerkt voor het Khadaffi-regime en eiser daarom problemen heeft. Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Libië geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 4 van het Handvest [4] en artikel 3 van het EVRM. [5]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst verwijst eiser naar hetgeen hij in de zienswijze heeft aangevoerd. Verder voert eiser aan dat verweerder op basis van de niet gelakte delen van zijn patiëntdossier van de Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) een oordeel kan vellen over zijn medische toestand. Verweerder had volgens eiser meer rekening moeten houden met zijn medische situatie. Ook betwist eiser dat hij niet zou hebben meegewerkt aan medische onderzoeken. Daarnaast meent eiser dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat in Tripoli sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld. Eiser verwijst in de aanvullende gronden naar een aantal bronnen waaruit blijkt dat er recent sprake is van een hoge mate van willekeurig geweld. Bovendien is een risico verhogende omstandigheid dat eiser Khadaffi-loyalist is. Tot slot voert eiser aan dat verweerder een advies van Bureau Medische Advisering (BMA) had moeten opvragen om te kunnen beoordelen of hij in staat is om te reizen dan wel de vraag te beantwoorden of bij terugkeer een risico aanwezig is op het ontstaan van een medische noodsituatie binnen drie maanden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Verwijzing naar zienswijze
6. De verwijzing naar de zienswijze kan op zichzelf niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Verweerder heeft in het bestreden besluit op de zienswijze gereageerd. Voor zover eiser in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten de motivering van het bestreden besluit onvoldoende is, kan de enkele herhaling van de zienswijze niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de psychische klachten van eiser?
7. De rechtbank volgt eisers betoog dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische klachten niet. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser niet heeft meegewerkt aan het MedTadvies, waardoor niet beoordeeld kon worden met welke lichamelijke of psychische klachten verweerder rekening moest houden tijdens het horen en beslissen. De rechtbank is van oordeel dat dit voor rekening en risico van eiser komt. De enkele stelling dat eiser niet begrijpt waarom de laatste arts van MedTadvies geen advies heeft kunnen uitbrengen, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat uit het overgelegde patiëntdossier van de GZA ook niet kan worden afgeleid dat eiser niet kan verklaren over zijn vader en de werkzaamheden voor Khadaffi. In de beroepsgronden is bovendien niet nader geconcretiseerd op welke verklaringen van eiser zijn psychische gesteldheid van invloed is geweest en bij welke overwegingen van het bestreden besluit daar onvoldoende rekening mee is gehouden.
Mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt?
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het verweerschrift van 28 augustus 2025 deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er in Tripoli geen sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de mate van willekeurig geweld zo hoog is dat een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank wijst ook op de inwerkingtreding van WBV 2025/21 [6] waarin staat dat verweerder aanneemt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in het noordwesten van Libië (inclusief Tripoli) en Benghazi.
8.1.
De rechtbank wijst in dit kader voorts op een uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 17 juli 2024 waarin is geoordeeld dat er in Tripoli gewapende conflicten zijn, waarbij ook willekeurig geweld voorkomt, maar niet zodanig dat eenieder door zijn enkele aanwezigheid al een reëel risico loopt op ernstige schade. [7] De bronnen die eiser heeft overgelegd in de aanvullende gronden en het algemeen ambtsbericht voor Libië van 24 juli 2025 laten geen wezenlijk ander beeld zien. Uit het ambtsbericht blijkt dat er, evenals in de vorige verslagperiode, meermaals gewapende confrontaties waren tussen milities in Tripoli en de veiligheidssituatie fragiel bleef. De confrontaties in Tripoli in augustus 2023 en mei 2025 waren de hevigste gevechten tussen milities in de verslagperiode, waarbij zware wapens werden ingezet in dichtbevolkte gebieden en waarbij er burgerslachtoffers vielen. Hoewel er zorgen waren dat het conflict zou kunnen ontaarden in een grootschalig conflict, werd op 14 mei 2025 een wapenstilstand overeengekomen. Aan het einde van de verslagperiode hield de wapenstilstand stand. [8] Niet is gebleken dat er na mei 2025 nog sprake is geweest van militaire confrontaties. Ook is niet gebleken dat het conflict in Tripoli geleid heeft tot een verslechtering van de humanitaire situatie. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de mate van willekeurig geweld in Tripoli zo hoog is dat een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij heeft verweerder de omvang van het geweldsniveau en het aantal burgerslachtoffers mogen afzetten tegen het totale inwoneraantal van Tripoli.
8.2.
Uit het arrest X. en Y. van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat wanneer in een land of gebied sprake is van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, en dat willekeurige geweld niet dermate hoog is dat eenieder alleen al door zijn aanwezigheid een risico loopt, de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, moeten worden betrokken. [9]
8.3.
Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat hij wegens persoonlijke omstandigheden het risico loopt om specifiek geraakt te worden door willekeurig geweld. Verweerder mocht vinden dat eiser geen relevante persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eisers betoog dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade, omdat hij kan worden gezien als loyalist van Khadaffi vanwege zijn achternaam en de bekendheid van zijn familie, slaagt niet, nu verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eisers vader werkzaam is geweest voor Khadaffi.
Moest verweerder eiser uitstel van vertrek om medische redenen verlenen?
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet was gehouden om het BMA om advies te vragen en te onderzoeken of eiser in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000, nu uit het overgelegde GZA patiëntdossier niet blijkt dat eiser op dit moment voor zijn psychische klachten onder actieve behandeling staat van een medisch specialist. De rechtbank wijst eiser erop dat hij alsnog een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 kan indienen als hij op enig moment onder behandeling staat.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Het beroep is ongegrond.
11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 30b, eerste lid, onder c, d en e, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000.
3.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU).
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 18 oktober 2025, nummer WBV 2025/21, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.
7.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.
8.Algemeen Ambtsbericht voor Libië van 24 juli 2025, p. 37 en 38.
9.Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2023, C-125/22, ECLI:EU:C:2023:843.