ECLI:NL:RBDHA:2025:24874
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig relaas en niet tijdig asiel aanvragen
Eiser, een Oezbeekse staatsburger, diende op 7 maart 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Hij stelde dat hij vanwege problemen met een bank na een brand in het familiebedrijf bescherming zocht. Verweerder achtte de identiteit en nationaliteit van eiser geloofwaardig, maar vond het relaas over de problemen met de bank ongeloofwaardig en wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond.
De rechtbank behandelde het beroep op 26 november 2025. Eiser stelde dat tijdens het nader gehoor onvoldoende was doorgevraagd en dat hij niet was geconfronteerd met summiere verklaringen, wat volgens hem in strijd was met de samenwerkingsplicht en het recht op hoor en wederhoor. Tevens voerde hij aan dat het niet aanvragen van asiel in Hongarije niet tegen hem mocht worden gebruikt.
De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om zijn verhaal toe te lichten en dat het bestreden besluit niet onrechtmatig was. Verweerder mocht meewegen dat eiser pas na ruim een jaar in Nederland asiel aanvroeg en dat hij eerder in Hongarije werkte zonder asiel aan te vragen. De toepassing van de werkinstructie WI 2024/6 werd niet onrechtmatig bevonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.