Eiser diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor kosten van rechtsbijstand, waarbij verweerder de aanvraag afwees omdat deze niet binnen de gestelde termijn van drie maanden na factuurdatum was ingediend.
De rechtbank oordeelde dat het beleid van verweerder om een termijn van drie maanden te hanteren niet onredelijk is, maar dat in dit bijzondere geval, gezien de geringe overschrijding en de lange beslistermijn bij een eerdere soortgelijke aanvraag, verweerder aanleiding had moeten zien om van het beleid af te wijken.
Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en bepaalde zelf dat de bijzondere bijstand voor de kosten van de factuur van 14 oktober 2022 moet worden toegekend, inclusief vergoeding van het griffierecht aan eiser.
De uitspraak benadrukt dat onbekendheid met het beleid geen reden is om het niet toe te passen, maar dat bijzondere omstandigheden een uitzondering kunnen rechtvaardigen.