ECLI:NL:RBDHA:2025:24933

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
09/303596-22
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging tot moord en poging tot doodslag; veroordeling voor zware mishandeling met auto

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van poging tot moord en poging tot doodslag, maar uiteindelijk werd vrijgesproken van deze beschuldigingen. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer, dat op 1 november 2022 in Leiden door de verdachte met een auto was aangereden. De rechtbank concludeerde dat de snelheid van de auto niet zodanig was dat er een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bestond. Echter, de verdachte werd wel veroordeeld voor zware mishandeling, omdat hij opzettelijk zwaar lichamelijk letsel had toegebracht aan het slachtoffer door met aanzienlijke snelheid van achteren op hem in te rijden. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 16 maanden, met aftrek van het voorarrest, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 24 maanden. De voorlopige hechtenis van de verdachte werd opgeheven. Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij, die een schadevergoeding van € 9.000,67 vorderde, toegewezen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte aansprakelijk was voor de schade die het slachtoffer had geleden als gevolg van de zware mishandeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/303596-22
Datum uitspraak: 23 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres], [postcode] te [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 9 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.M. de Vries, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. K.H.T. van Gijssel, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 november 2022 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, als bestuurder van een auto die [aangever] heeft achtervolgd en/of met die auto met hoge, althans aanzienlijke, snelheid van achteren op die [aangever] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 november 2022 te Leiden aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meerdere gebroken ribben, een klaplong, een scheur in het borstbeen, een snee op het achterhoofd, een gekneusde heup en/of problemen met de blaas heeft toegebracht, door als bestuurder van een auto die [aangever] te achtervolgen en/of met die auto met hoge, althans aanzienlijke, snelheid van achteren op die [aangever] in te rijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 november 2022 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen als bestuurder van een auto die [aangever] heeft achtervolgd en/of met die auto met hoge, althans aanzienlijke, snelheid van achteren op die [aangever] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.
3.3.
Vrijspraak primair ten laste gelegde
Om tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde (poging tot moord of impliciet poging tot doodslag) te komen, moet kunnen worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de aangever [aangever] (hierna: [aangever]).
Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte vol opzet had op de dood van [aangever].
Aan de orde is dan de vraag of de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [aangever]. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg – in dit geval: de dood van [aangever] – zal intreden. Deze beoordeling is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Uit het strafdossier volgt dat de verdachte in een smalle straat reed, gas gaf en [aangever] – die op een fiets reed – van achteren heeft geraakt. De snelheid waarmee de fietser is aangereden, kan volgens de verkeersongevallenanalyse, gelet op de schade aan de achterzijde van de fiets en het afgetekende bandenspoor op de kentekenplaat, niet hoger hebben gelegen dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van [aangever], aangezien niet kan worden vastgesteld dat de snelheid waarmee de verdachte reed dusdanig hoog was dat hierdoor een
aanmerkelijkekans op zijn overlijden in het leven werd geroepen. De rechtbank zal de verdachte daarom van het primair ten laste gelegde (poging tot moord en impliciet poging tot doodslag) vrijspreken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in
bijlage Iopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverweging ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde
Bestuurder BMW?
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [aangever] is aangereden door een BMW met het kenteken [kenteken]. Ten aanzien van de vraag of de verdachte de bestuurder was van deze auto tijdens de aanrijding, oordeelt de rechtbank als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de BMW is gekocht door de verdachte. Daarnaast had de verdachte kort voor de aanrijding de beschikkingsmacht over de auto. De rechtbank leidt dit af uit de vergelijking tussen de ANPR hits van de BMW en de locaties van de telefoon van de verdachte, waaruit volgt dat de telefoon van de verdachte op de avond voor de aanrijding in de BMW aanwezig was. Daarnaast is [aangever] kort na de aanrijding meerdere keren gebeld door het telefoonnummer dat in gebruik was bij de verdachte. Tijdens dit telefoongesprek werden door de beller verontschuldigingen aangeboden, werd [aangever] verteld dat het niet op hem gemunt was maar op iemand anders en werd toegezegd om de schade met [aangever] af te handelen. De rechtbank leidt uit de inhoud en het tijdstip van het telefoongesprek af dat de beller direct betrokken was bij de aanrijding.
De rechtbank betrekt verder dat in de BMW brieven op naam van de verdachte en een verpakking van de telefoon van de verdachte zijn aangetroffen. De dag van de aanrijding heeft de verdachte een nieuw telefoonnummer en een nieuwe kentekenplaat voor de BMW aangevraagd.
De verdachte heeft geen verklaring gegeven die een alternatief scenario aannemelijk maakt. Er is geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat een ander persoon dan de verdachte de aanrijding heeft veroorzaakt en kort daarna met zijn telefoon [aangever] heeft gebeld. De enkele stelling dat hij het niet heeft gedaan, thuis was en dat zijn telefoon de hele nacht beneden in zijn woning aan de oplader heeft gelegen is daartoe niet voldoende.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte de bestuurder was van de BMW met het kenteken [kenteken] waarmee [aangever] werd aangereden.
Opzet op zwaar lichamelijk letsel?
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte [aangever] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Zijn opzet daarop blijkt uit zijn gedrag ter plaatse: hij achtervolgde [aangever], hij gaf voorafgaand aan de aanrijding gas en reed [aangever] – die op een fiets reed – van achteren aan met een aanzienlijke snelheid van ten hoogste 30 kilometer per uur. Een auto is een zwaar voertuig en [aangever] was op de fiets een kwetsbare verkeersdeelnemer. Door de situatie ter plaatse – een smalle straat – en de aanrijding van achteren, kon [aangever] op geen enkele wijze op de situatie anticiperen.
Het opzet van de verdachte kan ook worden afgeleid uit het telefoongesprek dat hij kort na de aanrijding met [aangever] voerde. Tijdens dit telefoongesprek maakte de verdachte kenbaar dat hij het niet op [aangever], maar op iemand anders had gemunt, dat het fout was en dat hij de schade aan de fiets en voor het toegebrachte letsel wilde afhandelen.
Zwaar lichamelijk letsel?
Door de verdachte zijn aan het slachtoffer verschillende letsels toegebracht, te weten: schaafwonden (op het achterhoofd, zijkant van de linkerknie, linker bekkenkam en linker elleboog), botbreuken in de linker 6e tot 9e rib, zes gebroken ribben, een klaplong aan de linker borstzijde, een scheur in het borstbeen, een snee op het achterhoofd, een gekneusde heup en problemen met de blaas. Dit letsel was van dien aard dat medisch ingrijpen noodzakelijk is gebleken. [aangever] is vijf dagen opgenomen in het ziekenhuis. Uit de letselverklaring blijkt dat volledig herstel werd verwacht binnen zes tot twaalf weken, met de mogelijkheid dat littekens achterblijven. Uit de slachtofferverklaring van [aangever] blijkt dat hij – drie jaar later – nog steeds dagelijks pijn heeft in zijn ribben en problemen heeft met zijn blaas. De rechtbank is van oordeel dat het letsel van [aangever] als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt in de zin van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde (zware mishandeling) wettig en overtuigend bewezen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 1 november 2022 te Leiden aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere gebroken ribben, een klaplong, een scheur in het borstbeen, een snee op het achterhoofd, een gekneusde heup en problemen met de blaas heeft toegebracht, door als bestuurder van een auto die [aangever] te achtervolgen en met die auto met aanzienlijke snelheid van achteren op die [aangever] in te rijden.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [aangever]. Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 25 maanden gevorderd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen, eventueel met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door met een auto in te rijden op [aangever], die voor hem reed op de fiets. De verdachte achtervolgde hem, reed met gelet op de verkeerssituatie ter plaatse met aanzienlijke snelheid door een smalle straat en gaf gas, waardoor [aangever] van achteren werd geraakt. Vervolgens heeft de verdachte de plaats van ongeval verlaten. [aangever] heeft verschillende letsels opgelopen en is vijf dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis. Uit de slachtofferverklaring van [aangever] blijkt dat hij, drie jaar later, nog steeds dagelijks pijn heeft in zijn ribben en problemen heeft met zijn blaas. Als gevolg van de gebeurtenis ervaart [aangever] daarnaast nog altijd gevoelens van onveiligheid wanneer hij gedurende de nacht op straat is.
De verdachte heeft zijn auto als wapen gebruikt en daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van [aangever]. Daarnaast brengt een dergelijk feit in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 september 2023. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De op te leggen straffen
Gelet de ernst van het strafbare feit, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
De rechtbank heeft op basis van uitspraken in soortgelijke zaken als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden genomen.
De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte is op 22 november 2022 in verzekering gesteld. Twee jaar later, op 22 november 2024, had er een vonnis moeten liggen in de zaak van de verdachte. De behandeling van de zaak is op 29 augustus 2025 aangehouden, omdat de verdachte – ondanks zijn schorsingsvoorwaarden – niet aanwezig was tijdens de zitting. De overschrijding van de redelijke termijn na de zitting van 29 augustus 2025 komt daarom voor rekening van de verdachte. De redelijke termijn is met 9 maanden en 8 dagen overschreden. Gelet hierop zal de rechtbank de gevangenisstraf met twee maanden verminderen.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Deze straf is hoger dan door de officier van justitie gevorderd, aangezien de ernst van het feit in de door de officier van justitie gevorderde straf naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende tot uitdrukking is gekomen.
Daarnaast acht de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 24 maanden passend en geboden.
De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, onvoldoende aanleiding voor de oplegging van een contactverbod met [aangever], aangezien de verdachte en [aangever] de afgelopen jaren geen contact meer met elkaar hebben gehad.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank is van oordeel dat met de vrijspraak van het primair ten laste gelegde, de 12-jaarsgrond vervalt. Gelet op het gebrek aan gronden zal de voorlopige hechtenis van de verdachte worden opgeheven.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 9.000,67, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.000,67 aan materiële schade en € 8.000,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op het gevoerde vrijspraakverweer. De verdediging heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vordering.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ziekenhuisdagdeelvergoeding (€ 155,-), vergoeding huishoudelijke hulp (€ 840,-) en reiskosten (€ 5,67), zijn namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Immateriële schade
Op grond van het strafdossier en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij is komen vast te staan dat de benadeelde partij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen als rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde handelwijze van de verdachte. De benadeelde partij heeft daarom recht op vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) door de verdachte.
Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 8.000,-.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 9.000,67, bestaande uit € 1.000,67 aan materiële schade en € 8.000,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 november 2022, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 9.000,67, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever].

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
  • 36f, 63, 302 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 179a van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
zware mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
16 (ZESTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt verdachte voorts tot:
ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor
24 (VIERENTWINTIG) MAANDEN;
voorlopige hechtenis
heft op de voorlopige hechtenis met ingang van heden;
de vordering van de benadeelde partij [aangever]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 9.000,67 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever];
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 9.000,67, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 80 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.M. Guljé, voorzitter,
mr. M.L. Harmsen, rechter,
mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2025