Eiser, een Koerdische Turk die uit de gevangenis in Turkije is ontsnapt en asiel heeft aangevraagd in Nederland, stelt dat hij vanwege zijn etniciteit en vermeende betrokkenheid bij de PKK wordt vervolgd en gediscrimineerd. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, stellende dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd en dat de ingebrachte documenten niet objectief verifieerbaar zijn.
De rechtbank oordeelt dat verweerder afdoende rekening heeft gehouden met de medische situatie van eiser tijdens het horen. Tevens is geoordeeld dat eiser zijn asielrelaas onvoldoende met documenten heeft onderbouwd en dat zijn verklaringen onsamenhangend en niet aannemelijk zijn, waardoor hem geen voordeel van de twijfel toekomt.
Verder heeft verweerder terecht geoordeeld dat de discriminatie en vermeende vervolging niet zodanig ernstig zijn dat er sprake is van een gegronde vrees of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije. De rechtbank volgt verweerder in zijn gemotiveerde standpunt en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt eveneens afgewezen.