ECLI:NL:RBDHA:2025:24948
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op proceskostenvergoeding wegens onvoldoende bewijs beroepsmatige rechtsbijstand
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het niet toekennen van een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase van aanslagen lokale heffingen voor 2022 en 2023. Verweerder stelde dat de gemachtigde van eiseres geen beroepsmatige rechtsbijstand verleent, omdat deze geen duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening verricht en vooral familieleden vertegenwoordigt.
Eiseres voerde aan dat de gemachtigde een professioneel kantoor heeft met meerdere cliënten, waaronder accountantskantoren, en dat er een zakelijke overeenkomst bestaat. De rechtbank overwoog dat van beroepsmatige rechtsbijstand sprake is als het verlenen daarvan een vast onderdeel vormt van een duurzame beroepsuitoefening. De familierelatie staat dit niet per definitie in de weg.
De rechtbank vond echter dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de gemachtigde ook cliënten buiten de familie vertegenwoordigt en dat de rechtsbijstand beroepsmatig wordt verleend. De enkele stellingen en stukken waren onvoldoende concreet, mede omdat privacyargumenten niet overtuigden. Daarom werden de beroepen ongegrond verklaard en werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep op proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van beroepsmatige rechtsbijstand.