In deze zaak heeft eiser, van Afghaanse nationaliteit, een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 5 september 2024 afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 8 december 2025, waar eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken. Eiser heeft vervolgens het beroep gehandhaafd, maar nu gericht tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn asielaanvraag. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist op de asielaanvraag van eiser, wat leidt tot de conclusie dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond is. De rechtbank heeft de minister opgedragen om uiterlijk op 19 januari 2026 een besluit te nemen op de aanvraag. Tevens is de minister veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van € 200,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. De proceskosten voor het beroep tegen het bestreden besluit zijn vastgesteld op € 1.814,- en voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen op € 453,50, wat leidt tot een totale proceskostenvergoeding van € 2.267,50.