ECLI:NL:RBDHA:2025:24950

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
NL24.38123
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag

In deze zaak heeft eiser, van Afghaanse nationaliteit, een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 5 september 2024 afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 8 december 2025, waar eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken. Eiser heeft vervolgens het beroep gehandhaafd, maar nu gericht tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn asielaanvraag. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist op de asielaanvraag van eiser, wat leidt tot de conclusie dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond is. De rechtbank heeft de minister opgedragen om uiterlijk op 19 januari 2026 een besluit te nemen op de aanvraag. Tevens is de minister veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van € 200,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. De proceskosten voor het beroep tegen het bestreden besluit zijn vastgesteld op € 1.814,- en voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen op € 453,50, wat leidt tot een totale proceskostenvergoeding van € 2.267,50.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.38123
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),

en

de minister van Asiel en Migratie,

Procesverloop

Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 september 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Flippo-Wassa als tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting vervolgens geschorst.
Op 13 december 2025 heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken.
Op 13 december 2025 heeft eiser de rechtbank bericht dat hij het beroep wenst te handhaven in de vorm van een beroep tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn asielaanvraag en heeft eiser verzocht om een vergoeding van proceskosten.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het bestreden besluit
1. De minister heeft het bestreden besluit ingetrokken. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van het beroep voor zover dat gericht is tegen het bestreden besluit. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom niet-ontvankelijk.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen
2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting op het beroep niet tijdig beslissen door eiser.
3. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep met een besluit gelijkgesteld. Verweerder heeft op 13 december 2025 het bestreden besluit ingetrokken zonder gelijktijdig een nieuw besluit te nemen op de door eiser ingediende asielaanvraag van 20 november 2022. De rechtbank stelt vast dat verweerder hierdoor niet binnen de wettelijke beslistermijn op de asielaanvraag van eiser heeft beslist.1
4. Omdat de minister ermee bekend moet zijn dat na intrekking van het bestreden besluit de situatie ontstaat dat niet tijdig is beslist op het bezwaar, kan niet van eiser verwacht worden dat hij de minister voorafgaand aan het beroep tegen het niet tijdig beslissen in gebreke stelt.2
5. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag vernietigen.
6. Omdat de minister nog geen (nieuw) besluit op de asielaanvraag van eiser heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat hij dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid van de Awb, moet de minister dit in principe doen binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden. Op grond van het derde lid van dit artikel kan de bestuursrechter, in bijzondere gevallen, een andere beslistermijn bepalen.
7. Eiser verzoekt de rechtbank om de minister een beslistermijn op te leggen van zes weken na datum zitting en een proceskostenvergoeding toe te kennen van 2 punten.
8. De minister heeft in zijn intrekkingsbrief meegedeeld voornemens te zijn in week 3 van 2026 een besluit te nemen en een proceskostenvergoeding toe te kennen tot een bedrag van € 907,-.
9. De rechtbank ziet in bovengenoemde standpunten over de termijn waarbinnen de minister moet beslissen, aanleiding om de beslistermijn vast te stellen op 6 weken na
8 december 2025. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verweerder binnen zes weken na 8 december 2025, dus uiterlijk op 19 januari 2026, op de asielaanvraag van eiser dient te beslissen.
10. Omdat dit een tweede beroep niet tijdig beslissen is, bepaalt de rechtbank in deze zaak met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, dat de minister een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog door hem wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van
€ 15.000,-.
1. Zie artikel 42, eerste lid, van de Vw.
2 Zie artikel 6:12, derde lid, van de Awb.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk. Het beroep niet tijdig beslissen is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk heeft en dat de minister uiterlijk op 19 januari 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
12. Omdat de minister het bestreden besluit na zitting heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten voor het beroep tegen het bestreden besluit. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, kent de rechtbank een bedrag toe van € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-, met een wegingsfactor 1).
13. Daarnaast krijgt eiser een vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte proceskosten voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 (1 punt voor het beroepschrift, met een waarde van € 907,- per punt en wegingsfactor 0,5 omdat het een lichte zaak betreft). De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen van licht gewicht is, omdat deze zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is. De totale proceskostenvergoeding die de minister dient te betalen bedraagt in totaal € 2.267,50.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag gegrond;
  • draagt de minister op om uiterlijk 19 januari 2026 een besluit op de aanvraag te nemen;
  • bepaalt dat de minister een dwangsom moet betalen aan eiser van € 200,- voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde datum overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep tegen het bestreden besluit een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen
4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen, kan verzet worden ingesteld. U kunt dan een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent (een verzetschrift). U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum
hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift wilt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
19 december 2025

Documentcode: [Documentcode]