Eiser, van Poolse nationaliteit, werd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel werd op 1 december 2025 opgeheven, waarna eiser beroep instelde tegen de bewaring en tevens een verzoek om schadevergoeding indiende.
Eiser stelde dat hij onrechtmatig was opgehouden omdat hij op een onjuiste wettelijke grondslag was vastgehouden. De minister erkende dit gebrek, maar stelde dat de ernst van het gebrek niet opwoog tegen de belangen die met de bewaring waren gediend. De rechtbank oordeelde dat de bewaring terecht was opgelegd vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring feitelijk juist en voldoende gemotiveerd was en dat geen onrechtmatigheid bestond in de tenuitvoerlegging ervan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser vanwege het erkende gebrek in de ophouding.