In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 22 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een Poolse eiser. De minister van Asiel en Migratie had op 30 november 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. De minister heeft de maatregel op 1 december 2025 opgeheven, waardoor de rechtbank zich moest buigen over de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding voor de periode waarin hij onterecht in bewaring was gesteld.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister erkende dat de ophouding op een onjuiste grondslag was gebaseerd, maar oordeelde dat de belangen van de minister zwaarder wogen dan het gebrek in de ophouding. De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en dat het beroep ongegrond was. Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de rechtsbijstandverlener van eiser, vastgesteld op € 1.814,00. De uitspraak is openbaar gemaakt op 22 december 2025 en tegen deze uitspraak kan binnen één week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.