ECLI:NL:RBDHA:2025:25010

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
C/09/684184 / FA RK 25-3092
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging alimentatie jong-meerderjarige en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 3 november 2025 een beschikking gegeven over de wijziging van de kinderalimentatie voor een jong-meerderjarige. De man, die eerder verplicht was om € 162,- per maand te betalen, verzocht om wijziging van deze alimentatie naar nihil, met verschillende ingangsdata. De rechtbank heeft vastgesteld dat de man door lichamelijke klachten en een daling van zijn inkomen niet in staat is om de eerder vastgestelde alimentatie te betalen. De jong-meerderjarige, die momenteel een tussenjaar heeft en niet studeert, heeft recht op alimentatie, ongeacht zijn studiestatus. De rechtbank heeft de behoefte van de jong-meerderjarige vastgesteld op € 419,- per maand, maar gezien de minimale draagkracht van de man, is de alimentatie vastgesteld op € 25,- per maand, ingaande op 1 april 2025. De rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, omdat de bodemprocedure over hetzelfde onderwerp al aanhangig was. De proceskosten zijn gecompenseerd, gezien de familierechtelijke aard van de procedure.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3092 (bodemzaak) en FA RK 25-3089 (223 Rv)
Zaaknummer: C/09/684184 (bodemzaak) en C/09/684180 (223 Rv)
Datum beschikking: 3 november 2025

Wijziging alimentatie en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

Beschikking op het op 23 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Devkinandan in Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[jongmeerderjarige],

de inmiddels jong-meerderjarige,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.B. den Hartog in Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de man;
  • het bericht van 1 mei 2025, met bijlage, namens de man;
  • het verweerschrift namens de jong-meerderjarige;
  • het aangepaste verzoekschrift, namens de man;
  • het bericht van 27 augustus 2025, namens de man;
  • het bericht van 26 september, met bijlagen, namens de man;
  • de brief van 29 september 2025, met bijlagen, namens de jong-meerderjarige.
Op 6 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en [jongmeerderjarige] met zijn advocaat.
Bij aanvang van de procedure is [de vrouw], de moeder van [jongmeerderjarige] (hierna: de vrouw), aangemerkt als belanghebbende. Aangezien de man op de zitting zijn verzoek heeft gewijzigd en nu verzoekt om wijziging van de kinderalimentatie vanaf een ingangsdatum waarop [jongmeerderjarige] al jong-meerderjarig was, merkt de rechtbank de vrouw niet meer aan als belanghebbende.

Feiten

  • De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van de inmiddels jong-meerderjarige.
  • De jong-meerderjarige verblijft bij de vrouw.
  • Bij beschikking van 16 april 2024 van deze rechtbank is, voor zover hier van belang:
  • het vaderschap van de man over de jong-meerderjarige vastgesteld;
  • bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 22 december 2023, een kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] van € 162,- per maand en -geïndexeerd- vanaf
1 januari 2024 € 172,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
  • Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie/alimentatie voor de jong-meerderjarige sinds 1 januari 2025 € 183,- per maand.
  • De man is op [datum] 2017 opnieuw in het huwelijk getreden. Uit dit huwelijk zijn twee op dit moment nog minderjarige kinderen geboren.

Verzoek en verweer

De man verzoekt -met wijziging van de beschikking van 16 april 2024 van deze rechtbank-:
in de bodemprocedure:
de kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] op nihil te stellen,
primairmet ingang van 21 november 2023,
subsidiairmet ingang van 1 januari 2024,
meer subsidiairmet ingang van 1 april 2025 en
meest subsidiairmet ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een beslissing te nemen welke de rechtbank juist acht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens;
bij wijze van voorlopige voorziening:
de kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] op nihil te stellen met ingang van 1 april 2025, althans een beslissing te nemen welke de rechtbank juist acht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Op de zitting heeft de man zijn verzoek in de bodemprocedure ten aanzien van de ingangsdatum gewijzigd. Hij verzoekt nu als ingangsdatum 1 april 2025 te hanteren.
De jong-meerderjarige voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in de voorlopige voorzieningenprocedure voorligt, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.
Wijziging alimentatie jong-meerderjarige
Ontvankelijkheid
De rechtbank kan de alimentatie opnieuw vaststellen wanneer bij eerdere vaststelling is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens (artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De rechtbank kan de alimentatie ook opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd sinds het moment dat de alimentatie is vastgesteld of overeengekomen (artikel 1:401 lid 1 BW).
Tussen partijen is in geschil of sprake is van een wijzigingsgrond. De man stelt dat de vastgestelde kinderalimentatie bij beschikking van 16 april 2024 van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Daartoe voert hij aan dat hij op 21 november 2023 een auto-ongeluk heeft gehad, waardoor hij een scheur in zijn schouder kreeg, niet meer zoveel kon werken en zijn omzet is gedaald. Op [geboortedatum] 2024 is de man geopereerd aan een liesbreuk, waardoor hij nog minder kon werken en de omzet verder daalde. Het auto-ongeluk had al plaatsgevonden voor de beschikking van 16 april 2024, maar hoewel de man wist dat hij hiervan moest herstellen, geeft hij aan dat hij niet direct zag aankomen dat zijn omzet hierdoor structureel zou dalen. De jong-meerderjarige betwist dat er sprake is van een dusdanige structurele daling van omzet waardoor de man niet meer in staat zou zijn om de vastgestelde alimentatie te betalen.
Uit de door de man overgelegde belastingaangiftes en jaarrekening is af te leiden dat het inkomen van de man aanzienlijk is gedaald vanaf 2024. De rechtbank zal daarom de man ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de rechterlijke uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de alimentatie voor de jong-meerderjarige en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.
Ingangsdatum
De rechtbank zal in redelijkheid als ingangsdatum 1 april 2025 hanteren, omdat de man per die datum geen alimentatie meer heeft betaald en heeft laten weten dat hij de alimentatie niet meer kan betalen. Vanaf dat moment hebben de man en de jong-meerderjarige er rekening mee kunnen houden dat het bedrag aan alimentatie aangepast zou worden.
Behoefte
Op de zitting is gebleken dat [jongmeerderjarige] op dit moment een tussenjaar heeft en niet studeert. Voor zover de man heeft betoogd dat [jongmeerderjarige] daardoor geen behoefte meer heeft, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Voor vaststelling van een bedrag aan alimentatie voor een jong-meerderjarige is niet vereist dat de jong-meerderjarige studeert. Het gaat erom dat de jong-meerderjarige niet (volledig) in zijn eigen inkomen kan voorzien. [jongmeerderjarige] heeft op de zitting toegelicht dat hij op dit moment een beperkte bijbaan heeft voor vier uur per week. Onder die omstandigheden neemt de rechtbank aan dat [jongmeerderjarige] behoefte heeft en behoeftig is.
Hoewel [jongmeerderjarige] jong-meerderjarig is, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om uit te gaan van een behoefte op basis van de WSF-norm. De rechtbank zal uitgaan van de behoefte zoals die in de beschikking van 16 april 2024 van deze rechtbank is vastgesteld. [jongmeerderjarige] woont namelijk bij de moeder thuis en studeert op dit moment niet. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de kosten van [jongmeerderjarige] op dit moment, behoudens de indexering, niet méér bedragen dan destijds door de rechtbank is vastgesteld. In de beschikking van 16 april 2024 is de behoefte van [jongmeerderjarige] vastgesteld op € 370,- per maand in 2023 en op € 393,- per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van [jongmeerderjarige] € 419,- per maand, zodat de rechtbank van die behoefte uit zal gaan.
Draagkracht
De behoefte van [jongmeerderjarige] moet door de man en de vrouw worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van partijen dient conform de aanbevelingen uit het rapport 2025 in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule
70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.310)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van
€ 2.125,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Draagkracht vrouw
De jong-meerderjarige heeft geen inkomensgegevens van de vrouw overgelegd, zodat de rechtbank zal uitgaan van de gegevens uit de door de man overgelegde berekening, welke door de jong-meerderjarige niet zijn betwist. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van een inkomen van de vrouw van € 3.009,- per maand. Rekening houdend met 8% vakantiegeld, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.744,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 428,- per maand, te weten
70% x [2.744 - (0,3 x 2.744 + 1.310)].
Draagkracht man
De man is ondernemer in de muziekwereld als artiest. De man stelt dat hij nog geopereerd moet worden aan zijn schouder en dat hij sinds de operatie aan zijn liesbreuk voorzichtiger moet zijn met tillen. Daardoor lukt het hem niet meer om zijn geluidsinstallatie te verhuren en moet hij voor zijn eigen optredens ook een geluidsinstallatie huren, omdat hij die niet meer kan tillen. Ook geeft de man onderbouwd aan dat de operatie aan zijn liesbreuk niet goed is gegaan, waardoor hij binnenkort een nieuwe scan moet laten maken. De man stelt dat hij op dit moment alleen rondkomt vanwege bedragen die zijn schoonouders overmaken, maar dat zij hiermee gaan stoppen.
De jong-meerderjarige geeft aan dat de man nog steeds actief is als ondernemer. Daarbij geeft [jongmeerderjarige] aan dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn werkzaamheden na het auto-ongeluk en de operatie niet konden worden hervat of dat de man op dit moment niet in staat is om een gelijkwaardig inkomen te genereren.
De rechtbank gaat er op basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken van uit dat de man op dit moment een beperkte mogelijkheid heeft om inkomen te genereren, wat mogelijk is veroorzaakt door fysieke klachten. Van 2025 zijn er geen financiële gegevens voorhanden. De rechtbank zal daarom in redelijkheid uitgaan van een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023 (€ 24.933,- per jaar) en 2024 (€ 15.440,- per jaar), zijnde
€ 20.187,- per jaar. De rechtbank merkt daarbij op dat niet is gebleken dat de klachten die de man als gevolg van het auto-ongeluk heeft blijvend zijn. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de man op de langere termijn in staat zal zijn om zijn inkomen bij te stellen. Op de zitting is namens de jong-meerderjarige gesteld dat ook rekening moet worden gehouden met door de man gedane onttrekkingen aan het ondernemersvermogen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiermee rekening te houden, omdat die onderdelen vanuit de winst zijn uitgekeerd en er daarmee een dubbeltelling zou ontstaan.
Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW berekent de rechtbank het NBI van de man op € 1.614,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Bij een NBI onder € 1.875,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI van de man lager is dan € 1.875,- geldt met toepassing van de draagkrachttabel (2025) in beginsel een draagkracht van € 50,- per maand voor de man voor zijn drie kinderen.
De rechtbank stelt vast dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in het inkomen van zijn huidige partner, de moeder van de twee jongste kinderen. De man stelt dat zij een uitkering ontvangt, maar heeft dit niet (met stukken) onderbouwd. De rechtbank zal daarom in redelijkheid een bijdrage aan [jongmeerderjarige] van € 25,- per maand vaststellen, zijnde het bedrag waarop [jongmeerderjarige] recht zou hebben als geen rekening wordt gehouden met de andere kinderen van de man.
Conclusie
Nu er sprake is van een minimale draagkracht aan de zijde van de man, en nu er al langere tijd geen contact is tussen de man en [jongmeerderjarige] en daar ook geen uitzicht op is, zal de rechtbank geen rekening houden met een bedrag aan zorgkorting.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank zal vaststellen dat de man met ingang van 1 april 2025 een bedrag van € 25,- per maand aan alimentatie voor [jongmeerderjarige] zal betalen.
Proceskosten
Aangezien het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van
16 april 2024 – :
bepaalt de door de man, met ingang van 1 april 2025, te betalen alimentatie voor de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats], op € 25,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de jong-meerderjarige te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 november 2025.