ECLI:NL:RBDHA:2025:25015

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
C/09/691081 / JE RK 25-1546
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265e BWArt. 1:265h BWArt. 1:12 BWArt. 265 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gedeeltelijke gezagsuitoefening aan gecertificeerde instelling voor medische behandeling en onderwijs

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland om het gezag over twee minderjarige kinderen gedeeltelijk toe te kennen aan de gecertificeerde instelling. Dit betreft toestemming voor medische behandelingen, waaronder inschrijving bij huisarts, tandarts en GGD, en de aanmelding bij een onderwijsinstelling.

De ouders zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het gezag. De kinderen zijn onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst bij de oma vaderszijde. De moeder reageerde niet op verzoeken om toestemming te verlenen voor medische inschrijvingen en schoolaanmelding, terwijl de vader instemde met het verzoek.

De rechtbank oordeelde dat inschrijving bij huisarts, tandarts en GGD noodzakelijk is voor goede medische zorg en dat de gecertificeerde instelling daarom het gezag hierover gedeeltelijk mag uitoefenen. Ook is het noodzakelijk dat de instelling het gezag uitoefent voor de aanmelding bij de school, zodat de kinderen definitief kunnen worden ingeschreven.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en geldt voor de duur van de machtiging uithuisplaatsing. Het verzoek wordt toegewezen voor zover het gezag door de moeder wordt uitgeoefend, en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek toe om het gezag over de minderjarigen gedeeltelijk toe te kennen aan de gecertificeerde instelling voor medische toestemming en schoolaanmelding gedurende de uithuisplaatsing.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/691081 / JE RK 25-1546
Datum uitspraak: 6 november 2025

Beschikking van de kinderrechter

Gedeeltelijke gezagsuitoefening door de gecertificeerde instelling ex artikel 1:265e BW

in de zaak naar aanleiding van het verzoek van:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland(hierna te noemen: de gecertificeerde instelling),
betreffende:
- [de minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] .
- [de minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:

[de oma] ,

hierna te noemen: de oma vaderszijde,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift, met bijlagen, van de gecertificeerde instelling.
Op 23 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting met gesloten deuren behandeld,
gecombineerdmet het verzoek van de gecertificeerde instelling voor vervangende toestemming voor de aanvraag van paspoorten voor de kinderen (zaak- en rekestnummer C/09/690637 / FA RK 25-6443). Op dit verzoek wordt bij afzonderlijke beschikking van 6 november 2025 beslist.
Op de zitting zijn verschenen:
  • [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader;
  • de oma vaderszijde met haar partner, [naam 3] .
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De minderjarige [de minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld om haar mening te geven over het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

Feiten

  • De moeder en de vader zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2018 tot [datum 2] 2020.
  • Uit het huwelijk van de ouders zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] geboren.
  • De ouders zijn met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] belast.
  • De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 juni 2024 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 11 juni 2025.
  • De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengd tot 1 mei 2026 en voor dezelfde duur machtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de gecertificeerde instelling strekt ertoe dat:
-
primair: op grond van artikel 1:265e lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedeeltelijk en voor de resterende duur van de machtiging uithuisplaatsing toegekend wordt aan de gecertificeerde instelling (naar de rechtbank begrijpt) voor zover het betreft het geven van toestemming voor een medische behandeling;
subsidiair: op grond van artikel 1:265h BW vervangende toestemming wordt verleend voor de noodzakelijke medische behandeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , met dien verstande dat vervangende toestemming wordt verstrekt voor het laten verrichten van:
  • reguliere controles van de kinderen door de GGD;
  • controles bij de huisarts in [plaats] voor zover dit betrekking heeft op de gezondheid van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;
  • reguliere controles bij de tandarts in [plaats] ;
  • op grond van artikel 1:265e lid 1 sub a BW het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedeeltelijk en voor de resterende duur van de machtiging uithuisplaatsing toegekend wordt aan de gecertificeerde instelling voor zover het betreft de aanmelding voor de onderwijsinstelling [school] in [plaats] ;
  • in verband met het spoedeisende karakter zo spoedig mogelijk deze toestemming te verlenen,
met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft ingestemd met de verzoeken. De moeder heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Relatieve bevoegdheid
Op grond van artikel 265 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats van de minderjarige. Volgens artikel 1:12 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt de minderjarige de woonplaats van degene die het gezag over hem of haar uitoefent. Indien sprake is van gezamenlijk gezag, dan volgt de minderjarige de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de vader en de moeder gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag. Uit de stukken en de Basisregistratie Personen van de kinderen blijkt dat zij, voor de uithuisplaatsing bij de oma vaderszijde in [plaats] , als laatste hebben verbleven bij de moeder. De kinderen volgen daarom de woonplaats van de moeder. De moeder woont in het arrondissement van de rechtbank Den Haag. De rechtbank Den Haag is daarom bevoegd om inhoudelijk op het verzoek te beslissen.
Inschrijving GGD, huisarts en tandarts
De gecertificeerde instelling geeft aan dat zij de moeder meerdere malen heeft gevraagd om papieren in te vullen om toestemming te geven voor de overschrijving van huisarts voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , nu de kinderen sinds april 2025 in [plaats] verblijven. De moeder heeft hier niet aan voldaan. Inschrijving bij de huisarts in [plaats] is belangrijk, omdat de kinderen daarmee toegang hebben tot de nodige zorg. [de minderjarige 1] had oorpijnklachten, maar de oma vaderszijde kon nu niet met haar naar de huisarts. [de minderjarige 2] moet ook naar de huisarts, omdat zij al langere tijd last van haar ogen heeft en het vermoeden is dat zij niet goed kan zien. Daarnaast staan de kinderen niet in [plaats] ingeschreven bij een tandarts. Volgens de gecertificeerde instelling is het gebit van de kinderen niet in goede staat. Ook heeft de moeder niet gehandeld op het verzoek contact op te nemen met de GGD in [plaats] . Het is daardoor niet duidelijk of de moeder akkoord is met de inzet van het consultatiebureau, dan wel met het uitvoeren van de wenselijke controles voor zicht op de ontwikkeling van de kinderen. Behandeling bij de GGD is volgens de gecertificeerde instelling noodzakelijk om ernstig gevaar voor de gezondheid van de kinderen af te wenden. Het gaat daarbij om het rijksvaccinatieprogramma en om de gebruikelijke ontwikkelingsonderzoeken, maar ook om de mogelijkheid van een vroegtijdige signalering van ontwikkelings- en gedragsproblemen. De kinderen hebben de afgelopen jaren meerdere traumatische, impactvolle en negatieve gebeurtenissen meegemaakt, waardoor zij een verhoogd risico lopen op (de ontwikkeling) van genoemde problemen. Aangezien het om meerdere medische behandelingen gaat vindt de gecertificeerde instelling een gedeeltelijke gezagsoverheveling voor medische behandelingen passend. De gecertificeerde instelling doet een subsidiair verzoek voor vervangende toestemming, mocht de rechtbank dat passender vinden.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265e BW bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, bijvoorbeeld met betrekking tot het geven van toestemming voor de medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar. Op grond van artikel 1:265h BW kan de kinderrechter vervangende toestemming verlenen voor de medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar, indien behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert.
De kinderrechter overweegt als volgt. Kinderen moeten over het algemeen geregeld naar een huisarts, tandarts of de GGD. Een arts/behandelaar kan doorgaans sneller handelen en betere medische (basis) zorg leveren als hij beschikt over het medische dossier van de patiënt. Ook heeft een arts/behandelaar doorgaans contacten met zorgverleners in de regio, zodat bij doorverwijzing een kind de zorg ook in de regio kan krijgen. Voor de inschrijving bij de huisarts, de tandarts en de GGD moeten beide ouders met gezag toestemming geven. Gebleken is dat de moeder niet reageert op verzoeken van de gecertificeerde instelling, waardoor de inschrijving niet kan plaatsvinden.
In taalkundige zin is een inschrijving bij een huisarts, een tandarts of de GGD geen medische behandeling, zoals bedoeld in artikel 1:265e BW. Bij een inschrijving kan wel gesteld worden dat een arts/behandelaar zich verbindt aan het geven van een medische behandeling in de toekomst aan de patiënt. Een inschrijving is daarmee een noodzakelijk voorwaarde om (in geval van reguliere medische zorg) tot een goede langdurige behandelrelatie te komen en kwalitatief goede medische behandelingen te kunnen geven en ontvangen. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat in de situatie van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] pas zinvolle invulling kan worden gegeven aan art. 1:265e BW (voor zover gericht op huisarts/tandarts) als zij staan ingeschreven bij een huisarts, een tandarts en de GGD. Het verzoek van de gecertificeerde instelling kan daarmee onder de reikwijdte van dit artikel worden gebracht.
De kinderrechter overweegt verder dat artikel 1:265h BW in dit geval minder passend is, omdat dit artikel zich richt op een concrete medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar. In dit geval gaat het om inschrijving voor reguliere medische zorg. Daarnaast heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat de kinderen veel hebben meegemaakt en dat zij naar verwachting ook hulpverlening zoals een traumagerelateerde behandeling nodig zullen hebben. Op dit moment wordt nog in kaart gebracht welke hulpverlening de kinderen nodig hebben. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet van de gecertificeerde instelling worden verwacht dat zij voor (een) concrete behandeling(en) vervangende toestemming vraagt.
De kinderrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling, voor zover dit betrekking heeft op het geven van toestemming voor medische behandelingen, inclusief inschrijving bij een huisarts, een tandarts en de GGD in de omgeving van [plaats] , voor de duur van de uithuisplaatsing. Aangezien overheidsingrijpen als gezagsoverheveling niet verder dan strikt noodzakelijk is kan worden toegewezen en de vader volledig instemt, zal de kinderrechter alleen ten aanzien van de gezagsuitoefening door de moeder het verzoek toewijzen.
Op de zitting heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat de kinderen op dit moment op de zorgverzekering van de moeder staan ingeschreven en dat zij de kinderen graag willen inschrijven op de zorgverzekering van de vader. De gecertificeerde instelling heeft op de zitting verzocht om dit ook mee te nemen onder de medische behandelingen. De rechtbank kan niet op dit verzoek beslissen, omdat dit verzoek pas op de zitting is gedaan, de moeder daar niet bij aanwezig was en zij daar dus niet op heeft kunnen reageren. De rechtbank merkt wel op dat zij het in het belang van de kinderen acht dat de moeder hieraan meewerkt.
Aanmelding onderwijsinstelling
De gecertificeerde instelling stelt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] sinds april 2025 naar de [school] in [plaats] gaan. De moeder heeft hier formeel geen toestemming voor gegeven en er is al langere tijd geen contact met haar te krijgen. De vader en de oma vaderszijde zijn het eens met de inschrijven en hebben daarvoor al getekend. Enkel de toestemming van de moeder ontbreekt, waardoor de gecertificeerde instelling het van belang vindt dat zij namens de kinderen kan optreden en de inschrijving definitief kan bekrachtigen. Op dit moment wordt de schoolgang van de kinderen gedoogd, maar een definitieve inschrijving wordt door de school vereist.
Uit artikel 1:265e lid 1, aanhef en onder a BW volgt dat de kinderrechter kan bepalen dat gedurende de periode van uithuisplaatsing het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de gecertificeerde instelling wordt belast met het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , voor zover dit betrekking heeft op de aanmelding bij een onderwijsinstelling. Daartoe overweegt de kinderrechter dat de kinderen leerplichtig zijn en naar school moeten gaan. Het is daarvoor nodig dat zij op de school waar zij op dit moment naartoe gaan kunnen worden ingeschreven. Aangezien overheidsingrijpen als gezagsoverheveling niet verder dan strikt noodzakelijk is kan worden toegewezen en de vader volledig instemt, zal de kinderrechter alleen ten aanzien van de gezagsuitoefening door de moeder het verzoek toewijzen.

Beslissing

De kinderrechter:
bepaalt dat het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , voor zover dat wordt uitgeoefend door de moeder en dit betrekking heeft op:
  • het geven van toestemming voor een medische behandeling, inclusief inschrijving bij een huisarts, een tandarts en de GGD;
  • de aanmelding bij een onderwijsinstelling;
wordt uitgeoefend door Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, voor de duur van de machtiging uithuisplaatsing, waarvan aantekening wordt gedaan in het gezagsregister;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 november 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.