6.3.Het oordeel van de rechtbank
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen op dezelfde dag bij hetzelfde tankstation. Winkeldiefstallen zijn vervelende feiten, die overlast geven en voor winkeliers schade veroorzaken.
Persoon van de verdachte
De rechtbank houdt rekening met het reclasseringsadvies over de verdachte van 2 december 2025.
De reclassering ziet op verschillende gebieden instabiliteit in het leven van de verdachte. De verdachte is afkomstig uit [land] en verblijft sinds drie jaar in Nederland. Sinds hij in Nederland is, heeft hij geen vaste woon- of verblijfplaats gehad. Hij beschikt niet over identiteitsdocumenten, waardoor hij in Nederland geen legaal werk kan vinden en geen recht heeft op sociale voorzieningen. Hij gebruikt sinds tien jaar cocaïne. De precieze omvang van de middelenproblematiek is de reclassering niet duidelijk geworden en evenmin is er bekend of er psychosociale problemen spelen bij de verdachte.
De verdachte is sinds 2023 in beeld bij de reclassering. Toen heeft hij een werkstraf opgelegd gekregen die negatief is geretourneerd omdat de verdachte niet reageerde op uitnodigingen van de reclassering. In een zaak in 2024 zag de reclassering geen mogelijkheden om de verdachte te begeleiden, omdat de verdachte geen beroep kan doen op sociale voorzieningen. In juni 2025 heeft de verdachte een ISD-maatregel opgelegd gekregen van de rechtbank Amsterdam, die in voorwaardelijke vorm werd opgelegd, omdat de verdachte wilde vertrekken uit Nederland.
In het advies in deze zaak schat de reclassering de kans op herhaling in als hoog. De reclassering ziet geen mogelijkheden om de verdachte te begeleiden met bijzondere voorwaarden. Zij adviseert aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Tijdens de terechtzitting is mevrouw [naam], de opsteller van het advies, gehoord als getuige-deskundige. Zij heeft haar advies verder toegelicht en de conclusies daarvan bevestigd.
Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat de verdachte aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-voorwaarden van artikel 38m Sr voldoet. Het bewezenverklaarde feiten kwalificeert als diefstal, een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte van 5 november 2025 blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar voorafgaand aan het huidige feit ten minste drie keer onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel. Deze straffen zijn volledig ten uitvoer gelegd. De bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. De verdachte is in het verleden vaak veroordeeld voor vermogensdelicten en de reclassering schat de kans op herhaling in als hoog. De rechtbank deelt die inschatting en naar het oordeel van de rechtbank moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte in de toekomst opnieuw een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van goederen in het geding is. Tot slot is voldaan aan de voorwaarde dat er over de verdachte een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van de reclassering is dat minder dan één jaar voor de zittingsdatum is opgemaakt. In dit advies adviseert de reclassering om bij veroordeling van de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan hem op te leggen.
De verdachte voldoet aan de definitie van een ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Tegen de verdachte zijn over een periode van vijf jaar processen-verbaal opgemaakt voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, teruggerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of ook aan de zogenoemde ‘zachte’ ISD-criteria is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank beoordeelt of alle reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive zijn uitgeput en dus het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft.
De verdediging heeft aangevoerd dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd, zodat hij daarna een (tweede) kans krijgt om Nederland zelfstandig en vrijwillig te verlaten. De verdediging wijst erop dat de verdachte op dit moment nog een rechtmatig verblijf heeft in Nederland, zodat hij geen aanspraak kan maken op hulp bij vertrek (bijvoorbeeld in een ISD-VRIS-regime). Anderzijds heeft de verdachte ook geen recht op sociale voorzieningen in Nederland. De verdachte heeft tijdens de zitting aangevoerd dat hij Nederland eerder heeft willen verlaten, maar dat dit toen niet is gelukt omdat hij een week te lang in detentie heeft gezeten en hij daardoor geen gebruik heeft kunnen maken van een ticket naar [land] dat hij met behulp van een vriend al had gekocht. De verdachte heeft toegelicht dat hij nu in gesprek is met de IND en hulpverleners van Stichting Barka om zijn vertrek naar [land] alsnog te regelen.
De rechtbank ziet in het plan van de verdachte om (na een gevangenisstraf) Nederland te verlaten, geen reëel alternatief om het delictgedrag van de verdachte in Nederland te beëindigen. De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte bij vonnis van 18 juni 2025 al een kans gegeven om zelfstandig te vertrekken uit Nederland. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij op 12 augustus 2025 in vrijheid is gesteld en daarna op 23 september 2025 opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd. Het is de verdachte dus niet gelukt om in deze periode van meer dan een maand zelfstandig een reis te organiseren om Nederland te verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank is ook onvoldoende onderbouwd dat er nu concreet zicht is op (hulp bij) een vertrek naar [land].
Ook hulpverlening door de reclassering is in het verleden meerdere malen niet haalbaar gebleken, zodat ook een voorwaardelijk kader niet toereikend is om recidive te voorkomen.
Dan blijft slechts de ISD-maatregel over. De rechtbank heeft er daarbij oog voor dat de verdachte beperkt in aanmerking komt voor hulp in Nederland tijdens en na een ISD-maatregel. Het doel van een ISD-maatregel is echter tweeledig: beveiliging van de maatschappij en voorkomen van recidive. In dit geval legt de rechtbank de nadruk op beveiliging van de maatschappij.
Conclusie van de rechtbank
De rechtbank acht het daarom passend en geboden om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaar. Om de bescherming van de maatschappij voor die duur te waarborgen, past de rechtbank geen aftrek van voorarrest toe.