ECLI:NL:RBDHA:2025:25078

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
09.243275.25 en 22.003939.23 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal en poging tot diefstal met ISD-maatregel

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte, geboren in 1979, die zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal en twee pogingen tot diefstal. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een ISD-maatregel van twee jaar. De zaak kwam ter terechtzitting op 9 december 2025, waar de officier van justitie, mr. N. Snoep, de bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten heeft gevorderd. De verdediging, vertegenwoordigd door mr. A.C.H. Walkate, pleitte voor vrijspraak van enkele feiten en erkende de bewezenverklaring van andere feiten. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan poging tot diefstal met braak bij twee verschillende bedrijven en diefstal met braak bij een derde bedrijf. De rechtbank sprak de verdachte vrij van een vierde ten laste gelegd feit, omdat de bijdrage van de verdachte aan de vernieling niet voldoende was om te spreken van medeplegen. De rechtbank overwoog dat de ernst van de feiten, de recidive van de verdachte en het advies van de reclassering aanleiding gaven voor de oplegging van de ISD-maatregel. De rechtbank achtte het noodzakelijk om de verdachte de kans te geven aan zijn problematiek te werken, maar ook om de maatschappij te beschermen tegen zijn criminele gedrag. De vorderingen van de benadeelde partijen werden deels afgewezen, omdat de rechtbank de ontvankelijkheid van de vorderingen niet kon vaststellen. De rechtbank gelastte de teruggave van een in beslag genomen bedrag aan een benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/243275-25 en 22/003939-23 (tul)
Datum uitspraak: 23 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats], [land],
BRP-adres: [adres 1], [postcode] [woonplaats],
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats], locatie [locatie].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 9 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. N. Snoep en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.C.H. Walkate naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 en 4 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard. Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op specifieke standpunten van de raadsvrouw zal, indien nodig, hieronder worden ingegaan.
3.3.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Op de beelden waarop de vernieling is te zien, is te zien dat de verdachte naast de persoon staat die tegen de deur van de patisserie aantrapt en zelf geen vernielingshandelingen pleegt. De verdachte houdt op dat moment een blikje vast. Niet te zien is dat de verdachte de andere persoon aanmoedigt, zoals verklaard door de aangever. Gelet op het voorgaande is de bijdrage van de verdachte aan de vernieling naar het oordeel van de rechtbank te beperkt om te spreken van medeplegen van vernieling. De rechtbank spreekt de verdachte hiervan dan ook vrij.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1 en 2: poging diefstal met braak [bedrijfsnaam 1] en diefstal met braak op 16 september 2025 [bedrijfsnaam 2]
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op beelden van cameratoezicht is te zien dat de verdachte de ruit van de toegangsdeur van [bedrijfsnaam 2], gevestigd aan de [straatnaam] in Den Haag, op 16 september 2025 intrapt, daar naar binnen en naar buiten gaat, en enige tijd later wordt aangehouden door de politie.
Aangever [aangever] heeft verklaard dat er ongeveer € 100,- ontbrak uit de kassa nadat de verdachte in het pand van [bedrijfsnaam 2] was geweest. Tijdens zijn aanhouding had de verdachte een bedrag van € 105,30 bij zich.
Op de beelden van cameratoezicht is ook te zien dat de verdachte een paar minuten eerder de ruit van de toegangsdeur van [bedrijfsnaam 1], ook gevestigd aan de [straatnaam] in Den Haag, intrapt en daar ook naar binnen en naar buiten gaat. Dat het ook hier gaat om de verdachte, volgt uit het feit dat de politie de verdachte heeft herkend aan het signalement van de persoon die bij [bedrijfsnaam 2] de deur heeft ingetrapt en vervolgens door de politie is aangehouden. Het verweer van de verdediging dat de verdachte niet zou zijn herkend als de persoon die de deur van [bedrijfsnaam 1] heeft ingetrapt en is binnengegaan, wordt dus weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.
Op de beelden waarop de winkelruimte van [bedrijfsnaam 1] is te zien, is zichtbaar dat de verdachte de kassa openmaakt en onderzoekt wat er op de bar staat. De aangever vermoedt dat de persoon zonder buit is weggegaan, nu er geen geld in de kassa was.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot diefstal met braak bij [bedrijfsnaam 1] en diefstal met braak bij [bedrijfsnaam 2].
Ten aanzien van feit 3: poging diefstal met braak [bedrijfsnaam 3] op 1 september 2025
De rechtbank acht ook de poging tot diefstal met braak bij [bedrijfsnaam 3] op 1 september 2025 wettig en overtuigend bewezen.
In de aangifte staat dat de ruit van de toegangsdeur van [bedrijfsnaam 3], ook gevestigd in de [straatnaam] in Den Haag, in de nacht van 1 september 2025 vanuit de buitenkant is vernield. Op de sponning van de vernielde deur is een bloedspoor aangetroffen. Uit forensisch onderzoek blijkt dat het DNA-profiel uit dit bloedspoor meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van de verdachte, dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat het bloed op de deur het bloed van de verdachte is.
Dat de verdachte het opzet had op het wegnemen van goederen bij [bedrijfsnaam 3], leidt de rechtbank af uit de specifieke werkwijze van de verdachte. Er is gepoogd in te breken op een specifieke wijze, te weten door ’s nachts in de [straatnaam] in Den Haag (de ruit van) een toegangsdeur in te trappen. Deze werkwijze komt overeen met de modus operandi van verdachte ten aanzien van de twee hierboven bewezenverklaarde feiten. De modus operandi acht de rechtbank voldoende onderscheidend om, in combinatie met het gegeven dat verdachte zijn bloed op de kapotte ruit van de toegangsdeur is aangetroffen en het tijdsverloop van slechts enkele weken tussen de inbraken in dezelfde straat, te kunnen vaststellen dat verdachte degene is die de deur van [bedrijfsnaam 3] heeft ingetrapt met de bedoeling daar geld dan wel enig goed van waarde om mee te nemen. Daarmee is de ten laste gelegde poging tot diefstal door middel van braak wettig en overtuigend bewezen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1. hij op 16 september 2025 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld, in elk geval enig goed, dat aan
[bedrijfsnaam 1]of [naam 1] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak
eninklimming naar het restaurant is gegaan en vervolgens de deur van dat restaurant heeft ingetrapt en vervolgens dat restaurant is binnengegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. hij 16 september 2025 te ’s-Gravenhage geld (een bedrag van 100 euro of daaromtrent), dat aan [bedrijfsnaam 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,
eninklimming;
3. hij 1 september 2025 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld, in elk geval enig goed, dat aan [bedrijfsnaam 3] of [naam 2] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, naar de kapperszaak (gelegen aan de [adres 2]) is gegaan en vervolgens de ruit van de voordeur van die kapperszaak heeft vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De oplegging van een maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich over de oplegging van een straf of maatregel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal uit een bedrijf door middel van braak en twee pogingen daartoe. Bedrijfsinbraken brengen, naast overlast, financiële schade voor de benadeelden mee. Bovendien dragen dit soort feiten bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 november 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden herhaaldelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld en de verdachte drie keer de ISD-maatregel is opgelegd. De rechtbank vindt het zorgelijk dat deze eerdere veroordelingen de verdachte er niet van hebben weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van
10 november 2025. Daarin staat dat sprake is van een delictpatoon in vermogensdelicten, met name inbraken. Het vermoeden is dat het middelengebruik van de verdachte in relatie staat tot zijn delictgedrag. Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat en het risico op letselschade wordt ingeschat als gemiddeld. Eerdere reclasseringstrajecten kwamen niet van de grond, omdat de verdachte niet meewerkte of recidiveerde. Het voorgaande maakt dat de reclassering geen mogelijkheden meer ziet om de verdachte te behandelen in het kader van een (deels) voorwaardelijke veroordeling. Tot op heden zijn zowel reclasseringstrajecten als onvoorwaardelijke gevangenisstraffen onvoldoende geweest om de verdachte te bewegen tot gedragsverandering. De reclassering adviseert om de verdachte bij een veroordeling de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
De raadsvrouw heeft op de terechtzitting van 9 december 2025 laten weten dat de verdachte het advies van de reclassering onderschrijft en er geen bezwaar tegen heeft dat aan hem een ISD-maatregel wordt opgelegd.
Maatregel
De rechtbank stelt vast dat de verdachte voldoet aan alle voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel, zoals bepaald in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft oplegging van de ISD-maatregel gevorderd. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met braak en twee pogingen daartoe, misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Ook is hij in de vijf jaar voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel veroordeeld, terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, gelet op het reclasseringsadvies en het strafblad van de verdachte, ernstig rekening mee gehouden worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van personen of goederen in het geding is.
De verdachte voldoet naast deze wettelijke vereisten ook aan de definitie van ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Tegen de verdachte zijn in de afgelopen vijf jaar processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de datum van het laatst gepleegde feit.
De rechtbank is verder van oordeel dat er geen reëel alternatief is voor de oplegging van de ISD-maatregel. De verdachte is niet zelf in staat om zijn gedrag te veranderen. De reclassering ziet geen andere mogelijkheden om gedragsverandering te bewerkstelligen en de risico's te beperken dan het opleggen van de ISD-maatregel. De problematiek van de verdachte vereist hulpverlening, maar binnen een voorwaardelijk kader is dit volgens de reclassering niet haalbaar. Indien de verdachte zich dan niet aan afspraken houdt, wat gelet op het (recente) verleden de verwachting is, stopt de hulpverlening en staat de verdachte op enig moment weer op straat, met alle risico's op recidive van dien. Binnen de ISD-maatregel kan er eveneens een hulpverleningstraject worden ingezet, maar wordt de verdachte in de PI teruggeplaatst indien hij zich niet aan afspraken houdt, waardoor het risico op recidive en overlast en criminaliteit wordt beperkt.
Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen een onvoorwaardelijke ISD-maatregel passend en geboden. Voor een optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om de verdachte gelegenheid te geven aan zijn problematiek te werken, acht de rechtbank het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte zich vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft bevonden niet aftrekken van de duur van die maatregel.

7.De vordering van de benadeelde partij

[bedrijfsnaam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van €400, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[bedrijfsnaam 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 7.226, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.226 materiële schade (€ 580 aan vervanging ruit, € 46 aan ontwerp en vervanging deurbestickering en € 1.600 aan omzetderving) en € 5.000 immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [bedrijfsnaam 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat het niet duidelijk is of de persoon die de vordering heeft ondertekend bevoegd is [bedrijfsnaam 1] te vertegenwoordigen en de vordering niet is onderbouwd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [bedrijfsnaam 4] kan worden toegewezen voor zover het gaat om vervanging van een ruit en het ontwerp deurbestickering. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat [bedrijfsnaam 4] niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard ten aanzien van de omzetderving en immateriële schade.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 4] afgewezen dienen te worden althans dat deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering dienen te worden verklaard, omdat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde feiten waarop de vorderingen van de benadeelde partijen zijn gebaseerd. Subsidiair sluit de verdediging zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering van [bedrijfsnaam 1]
De rechtbank constateert dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijfsnaam 1] schriftelijk is ingediend door [naam 3]. Bij de vordering ontbreekt echter informatie die nodig is om haar in de vordering te kunnen ontvangen. Wat ontbreekt is een machtiging waaruit blijkt dat [naam 3] bevoegd is namens [bedrijfsnaam 1] een vordering in te dienen alsmede een uittreksel van de Kamer van Koophandel waaruit blijkt wie bevoegd is [bedrijfsnaam 1] te vertegenwoordigen. Ook de stukken uit het dossier bieden geen aanknopingspunten om te oordelen dat [naam 3] namens [bedrijfsnaam 1] optreedt: zo is de aangifte is door een ander gedaan. Nu is betwist dat [naam 3] bevoegd is namens de benadeelde partij op te treden en onderbouwing van die bevoegdheid ontbreekt, voldoet de vordering niet aan de vereisten die de wet stelt om in het strafproces inhoudelijk te kunnen worden beoordeeld. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Aangezien de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten die door de verdachte zijn gemaakt. Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de behandeling van deze vordering. De rechtbank zal deze kosten daarom vaststellen op nihil.
Ten aanzien van de vordering van [bedrijfsnaam 4]
De benadeelde partij [bedrijfsnaam 4] zal in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte van het ten laste gelegde feit waar de vordering op is gebaseerd wordt vrijgesproken.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering, wordt zij veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat € 100 van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen vermelde € 105,30 wordt teruggegeven aan benadeelde partij [bedrijfsnaam 2] en zich op het standpunt gesteld dat het resterende bedrag toekomt aan de Staat.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte afstand gedaan van het in beslag genomen bedrag.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat [bedrijfsnaam 2] redelijkerwijs als rechthebbende van volledige geldbedrag dat is vermeld op de beslaglijst kan worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom teruggave van € 105,30 aan [bedrijfsnaam 2] als rechthebbende gelasten.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 29 oktober 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 22-003939-23 door het gerechtshof Den Haag op 27 januari 2025 voorwaardelijke opgelegde straf van 1 jaar gevangenisstraf, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van de vordering als de rechtbank de ISD-maatregel aan de verdachte oplegt.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de vordering tot tenuitvoerlegging.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht tenuitvoerlegging op dit moment niet opportuun vanwege de op te leggen van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren. De vordering wordt derhalve afgewezen.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 38m, 38n, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;
ten aanzien van feit 2:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;
ten aanzien van feit 3:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op:
de maatregel tot plaatsing in een
inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (TWEE) JAREN;
de vordering van benadeelde partij [bedrijfsnaam 1]
bepaalt dat benadeelde partij [bedrijfsnaam 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding ;
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van benadeelde partij [bedrijfsnaam 4]
bepaalt dat benadeelde partij [bedrijfsnaam 4] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de inbeslaggenomen goederen;
gelast de teruggave aan [bedrijfsnaam 2] van de op de beslaglijst genoemde € 105,30;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 22/003939-23 opgelegde voorwaardelijke straf af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.A. van Essen, voorzitter,
mr. J. Snoeijer, rechter,
mr. J.M. Meester, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. Ö. Aydin, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2025.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 16 september 2025 te 's-Gravenhage
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
geld en/of (een) goed/goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele
aan [bedrijfsnaam 1] en/of [naam 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich
toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen
geld en/of goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak,
verbreking, inklimming
naar het restaurant is gegaan en/of
(vervolgens) de deur van dat restaurant heeft ingetrapt en/of
(vervolgens) dat restaurant is binnengegaan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 16 september 2025 te 's-Gravenhage
geld (een bedrag van 100 euro of daaromtrent), in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [bedrijfsnaam 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of
dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,
verbreking, inklimming;
3
hij op of omstreeks 1 september 2025 te 's-Gravenhage
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
geld en/of (een) goed/goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele
aan [bedrijfsnaam 3] en/of [naam 2], in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te
eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die
weg te nemen geld en/of goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel
van braak, verbreking,
naar de kapperszaak (gelegen aan de [adres 2]) is gegaan en/of
(vervolgens) de ruit van de voordeur van die kapperszaak heeft vernield,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
hij op of omstreeks 1 september 2025 te 's-Gravenhage
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur van patisserie [bedrijfsnaam 4] (gelegen aan de
[adres 3]), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 4]
, in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;