ECLI:NL:RBDHA:2025:25137

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
NL25.38594
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EGArtikel 3 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander

Verzoeker, een Oekraïense derdelander, had tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55/EG). Op 11 april 2024 besloot de minister van Asiel en Migratie dat verzoeker vanaf 5 maart 2024 geen recht meer had op deze tijdelijke bescherming en dat hij binnen vier weken moest terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit bezit.

Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter oordeelde dat nu de rechtbank reeds uitspraak had gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL24.16296), een voorlopige voorziening niet langer nodig was.

Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 23 december 2025 door voorzieningenrechter M.J. Schouw en is zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38594

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

[V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 11 april 2024 heeft verweerder bepaald dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 11 april 2024 beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL24.16296, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 december 2025 door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.