De man verzocht de rechtbank om vervangende toestemming tot erkenning van zijn minderjarige kind, aangezien de moeder niet instemde. De moeder en de minderjarige wonen in het buitenland en de moeder stemde in met de erkenning. De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is voor de erkenning, maar niet voor gezags- en omgangsverzoeken vanwege de buitenlandse verblijfplaats van de minderjarige.
De rechtbank paste Nederlands recht toe omdat het Indonesische recht geen regeling kent voor vervangende toestemming tot erkenning en dit in strijd zou zijn met de openbare orde. De belangenafweging wees uit dat erkenning niet schadelijk is voor de moeder of de minderjarige, en dat het in het belang van het kind is dat de familierechtelijke betrekking juridisch wordt vastgelegd.
De verzoeken tot gezag en omgang werden afgewezen wegens het ontbreken van rechtsmacht, aangezien de gewone verblijfplaats van de minderjarige buiten Nederland is. De rechtbank gaf aan dat bij wijziging van de verblijfplaats naar Nederland een nieuw verzoek kan worden ingediend. De bijzondere curator werd ontslagen, waarmee zijn werkzaamheden in deze procedure zijn beëindigd.