ECLI:NL:RBDHA:2025:25229

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 december 2025
Zaaknummer
C/09/688010 / HA RK 25-347
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoeker met betrekking tot Palestijnse en Syrische nationaliteit

Op 25 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaak van een verzoeker die zijn staatloosheid wilde laten vaststellen. Het verzoekschrift was ingediend op 7 juli 2025 en betrof de vaststelling van staatloosheid van de verzoeker, die geboren is in Syrië en van Palestijnse afkomst is. De verzoeker heeft een verblijfsvergunning asiel in Nederland en beschikt over verschillende documenten die zijn status als Palestijnse vluchteling bevestigen. De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door mr. C. Wesenbeek, heeft het verzoek geadviseerd toe te wijzen, wat de rechtbank aanleiding gaf om zonder mondelinge behandeling te beslissen. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker in Nederland woont en onmiddellijk belang heeft bij het verzoek. De beoordeling richtte zich op de nationaliteit van verzoeker, waarbij de rechtbank concludeerde dat verzoeker niet als onderdaan van de Palestijnse Gebieden of Syrië kan worden beschouwd. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker staatloos is, omdat niet is gebleken dat hij door enige staat als onderdaan wordt erkend. De rechtbank heeft het verzoek om veroordeling van de Staat in de proceskosten afgewezen. De beschikking is uitgesproken ter openbare zitting op 25 november 2025.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-347
Zaaknummer: C/09/688010
Datum beschikking: 25 november 2025

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 7 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Hemelaar te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. C. Wesenbeek.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- de brief van 27 augustus 2025, met bijlagen, van de Staat;
- de brief van 2 september 2025 van verzoeker.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker, met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.
De Staat adviseert het verzoek ten aanzien van de vaststelling van staatloosheid van verzoeker toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 2005 te Syrië.
- Verzoeker heeft vanaf zijn geboorte tot aan zijn vlucht naar Nederland (via Turkije en Italië) in Syrië en Libanon verbleven.
- Verzoeker is op 15 juli 2022 Nederland ingereisd en met ingang van 17 juli 2022 is aan hem een verblijfsvergunning asiel verleend, die geldig is tot 17 juli 2027.
- Verzoeker beschikt over een origineel reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen in Syrië en een originele identiteitskaart voor Palestijnse vluchtelingen in Syrië. Beide documenten zijn door Bureau Documenten van de IND en de Koninklijke Marechaussee onderzocht en echt bevonden.
- Verzoeker beschikt ook over een origineel individueel uittreksel algemeen orgaan voor de Palestijns-Arabische Vluchtelingen (GAPAR), een origineel familieboekje GAPAR van 5 februari 2000, een origineel familieboekje GAPAR van 14 april 2008 en een uittreksel familieregister GAPAR van 4 september 2022. Deze documenten zijn onderzocht door Bureau Documenten en met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid echt bevonden.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden en Syrië in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Dit omdat verzoeker stelt, net zoals zijn ouders, van Palestijnse afkomst te zijn en in Syrië te zijn geboren en daar het grootste deel van zijn leven te hebben gewoond. De rechtbank ziet met de Staat geen aanknopingspunten om Libanon in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoeker te betrekken.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – welke documenten (waarschijnlijk) positief zijn beoordeeld door Bureau Documenten van de IND en de Koninklijke Marechaussee – is het aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.
Wordt verzoeker als onderdaan van Syrië beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder kan hebben verkregen. Verzoeker beschikt ook over een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen en een Syrische identiteitskaart voor Palestijnse vluchtelingen, zodat aannemelijk is dat de Syrische overheid verzoeker beschouwt als Palestijn zonder de Syrische nationaliteit.
Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker beschikt over de nationaliteit van Syrië.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verzoeker door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd, zodat de staatloosheid van verzoeker kan worden vastgesteld.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de Staat in de proceskosten van verzoeker en zal het verzoek daartoe afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat verzoeker staatloos is;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 25 november 2025.