Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
dat er niets meer te beslissen is over het verzoek om verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing
verlenging van een ondertoezichtstelling
vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken (art. 1:265g lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW))
1.Het verdere verloop van de (verdere) procedure
- [naam 1] , namens de gecertificeerde instelling;
- de (stief)moeder met haar advocaat;
- de (stief)vader met zijn advocaat en bijgestaan door een tolk.
- de beschikking van 24 september 2025 en de daarin genoemde stukken;
- verzoekschrift II, met bijlagen, ontvangen op 3 oktober 2025;
2.De feiten
3.De verzoeken
4.De beoordeling
twee wekenvoorafgaand aan de volgende zitting een schriftelijke update te versturen met daarin een schets van het verloop van de ondertoezichtstelling in de zes maanden die nog komen.
Daarbij overweegt de rechtbank dat zowel [minderjarige 4] als [minderjarige 5] hebben aangegeven op dit moment geen contact te wensen met de (stief)vader. Ze hebben veel last van de gebeurtenissen in de afgelopen periode en willen weer contact met de (stief)vader als hij ander gedrag vertoont dan hij de afgelopen tijd heeft laten zien. Verder acht de rechtbank het noodzakelijk rekening te houden met de draagkracht en belastbaarheid van de (stief)vader en met het feit dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op dit moment geen contact hebben met de (stief)vader. Een opbouwende zorgregeling met de (stief)vader is daarom passend. Doordat de spanningen tussen de (stief)vader en de (stief)moeder een belemmering vormen voor het contact tussen de kinderen en beide ouders, is het noodzakelijk dat de overdracht van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar de (stief)moeder wordt uitgevoerd door een pedagogisch medewerker. De pedagogisch medewerker kan daarnaast aan de gecertificeerde instelling terugkoppelen hoe de kinderen de contactmomenten hebben ervaren. De rechtbank ziet in de hiervoor beschreven problematiek aanleiding om voor de overige kinderen thans nog geen (voorlopige) zorgregeling vast te stellen.
allekinderen bij de gecertificeerde instelling komt te liggen. Door de regie over (de uitbreiding van) de zorgregeling bij de gecertificeerde instelling te leggen, kunnen [minderjarige 4] en [minderjarige 5] worden betrokken bij de zorgregeling op het moment dat zij klaar zijn voor omgang met de (stief)vader. Daarnaast overweegt de rechtbank dat gekeken moet worden of [minderjarige 6] en [minderjarige 7] weer (op regelmatige basis) contact willen hebben met de (stief)moeder, die zij al jarenlang kennen als moederfiguur in hun leven, en zo ja, hoe dit kan worden georganiseerd. Ook is het noodzakelijk dat er contact is tussen alle kinderen onderling.
5.De beslissing
C/09/691054 / JE RK 25-1543;
uitgebreidmet:
uitgebreidmet:
tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 4 juni 2026;
uiterlijk twee weken voorafgaandaan voornoemde zitting een
schriftelijke updatezoals hierboven genoemd aan de rechtbank en de belanghebbenden te doen toekomen.
mr. J.E. Bierling, mr. drs. W.G. de Boer en mr. M. de Kleine, rechtbank, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 7 december 2025.
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.